Pater Pieter op Aswoensdag
25-2-09



Sind meer dan twee weken is het niet zo goed meer met Pieter. Dat hij ouder begon te worden, dat wisten we natuurlijk allemaal best wel. Zijn energie verminderde van dag tot dag. Hij had ook meer moeite om de namen van de kinderen te onthouden, bijvoorbeeld, en zijn horizon werd wat smaller. Toen ik in December terug uit Nederland kwam, bijvoorbeeld, vroeg hij niet naar hoe het was geweest. Naar om dat te moeten merken maar het past in het plaatje zoals ik dat nu begrijp.
Maar hij was nog steeds de vriendelijkheid zelf, althans voor veel mensen, en ging nog steeds vaak met zijn laptop naar het internetcafe om ‘de post op te halen’. Maar hij is uiteindelijk wel 83 jaar en wat kan je eigenlijk verwachten. Gezien zijn leeftijd leefde hij boven verwachting energiek.
Maandag twee weken geleden had hij een slechte nacht, overgeven en diarhee, dat moet een beangstigende ervaring zijn geweest. Op die nacht volgde een week van onwel zijn, van stil op zijn bed liggen en bijna niet meer uit zijn huisje kunnen komen. Doodmoe en akelig dunnetjes. Die week wist hij geen naam te geven aan wat er met hem gebeurde en hij kon ook niet het verhaal vertellen, of hij nu wel of niet overgaf, wel of niet at, wat hij dan wel at. Een paar dagen lang bewoog hij zich op een lager vlak van bewustzijn, alsof hij in een schaduwland leefde.
Maar na die week werd hij weer sterker en ook omdat hij sindsdien een eigen verzorgster had gekregen liep hij weer schoongewassen en geschoren en piekfijn gekleed rond alsof de werled weer in zijn handen lag. Dat was mooi.
Maar opnieuw, de laatste drie dagen voor het ‘askruisje’ begon het weer, het op bed liggen, niet eten, slapen alsmaar slapen. In de war en wat angstig, wie zou van zoiets niet ene beetje angstig zijn.
Vanmorgen in alle vroegte vond ik hem op bed met een temperatuur van 39 graden en heel erg uitgedroogd grijswit, er was bijna niets van Pieter meer over. Hij zat op bed en probeerde het geld in envelopjes in een kist onder zijn bed te tellen.
Pieter, alsjeblieft, wacht even. Ik bring je naar het ziekenhuis, dat moet nu eerst, die enveloppen die komen later. Jo, je bent gloedheet, en zo uitgedroogd als een oude pruim. Kom, we gaan naar het ziekenhuis. Dank zei Baffo en zijn sterke schouder werd Pieter voorzichtig in de auto gedragen en zo reden we langzaam naar het ziekenhuis toe. Er is daar een kamertje voor ‘VIP”s, echter zonder wastafel, stromend water en wc. Dat moet nog komen…
Hoe dan ook we maakten een bed klaar voor hem en hij lag er nog niet op of hij sliep. De drip werd opgesteld, de naald erin, en vocht drong weer door in zijn slappe lijfje. Hij zag eruit als een dodenmasker en sliep met tandeloze open mond.Uitgeput!
Nog steeds 39 graden. Maar zijn lichaam begon met de natte handdoeken wat af te koelen. (Dat doen ze op koelcentra ook zo, als er geen airco is!). Pieter knapte in d eloop van die ochtend weer wat op en zei” kan het zijn dat ik me mischien weer heel goed voel?’ Ja Pieter, dat kan, gelukkig!
Fr. Benneh, de ziekenhuis-kapelaan, kwam hem in het ziekenhuis opzoeken en gaf het het askruisje, het was dan ook juist aswoensdag vandaag.
‘Herinner je, Pieter, dat je lichaam niets is en weer tot as zal terugkeren’. Leuk om te zeggen tegen een zieke oude man die diezelfde ochtend een ogenblik gezweefd had in de schaduwzone tussen leven en dood, diezelfde ochtend!



Pieter wordt naar Nederland geevacueerd. Het kan zijn dat dat deze Zaterdag al gebeurd, afhankelijk van Pieter’s conditie en van plaats in het vliegtuig op korte termijn. Er gata iemand met hem mee, waarschijnlijk zal dat Steve zijn, de werkplaats coordinator en buddy van Pieter. Mischien dat Pieter dus Zondagmiddag al weer terug zal zijn bij de SMA congregatie in Limburg waar er naturlijk veel beter voor hem gezorgd kan worden dan in dit simpele oord hier in Ghana.

Pieter kwam in 2004 als gepensioneerd missionaries bij ons op de PCC Hand in hand Gemeenschap wonen. Hij was toen achter in de zeventig. De gastenkamer waar Pieter altijd sliep als hij op bezoek kwam werd omgebouwd tot zijn simpele maar gezellige ronde huisje, algemeen bekend als ‘Fr. Pieter’s huis’. Of ‘House Number One’ zoals we zijn huis op zijn tachtigste verjaardag omdoopten.
Pieter hield zich bezig met de bloemen en de tuin. Ook nam hij het, ondanks mijn afraden, steeds weer onze afvalbewerkingop zijn rekening. Toen dit niet meer kon, vanwege het aantal mensen dat hij meende nodig te hebben, branden en vooral door een zwakkere lichamelijke conditie, raakte hij erg betrokken bij een Ghanese vriend die op ecologische verantwoorde wijze zijn lanbouw bedreef. Ik geloof dat hij deze persoon erg geholpen heeft. Pieter had grote zorg voor land en aarde, dat is zeker.
In de zomer van het jaar 2007 werd hij vereerd met een pauselijke onderscheiding.

Ik ken Pieter al vele jaren. In de tijd dat ik alleen in Nkoranza zat, in de 80-er en 90-er jaren, om het ziekenhuis op te zetten en de dorpsklinieken te helpen ontwikkelen, was ik daar zeer geisoleerd. Het was daar soms zo afgelegen en als enige arts had ik het altijd zo druk dat ik soms in geen maanden een collega of een blanke ontmoette.
Het was dat een echt feest om eens een weekend bij Fr Pieter in Sampa door te brengen en bij te kunnen praten. Dat deden we dan, praten, praten, praten. We organiseerden samen ook uitwisselingen van ons ziekenhuispersoneel en zijn parochiepersoneel. Samen namen we deel aan (of gaven zelf) Deles leiderschap cursussen en bijen-houden cursussen en counselling workshop, echt van alles. Het waren fijne en vruchbare jaren en de samenwerking inspireerde veel andere mensen.
Dus die jaren liggen me na aan het hart van wege de inspiratie en de vriendschap en de mooie dingen die dara uit voort kwamen. Ik ben Pieter uit die tijd heel dank verschuldigd.
Toen ik tien jaar later al lang begonnen was met de PCC Community en toen ik mijn man Bob uit Chicago mee terug naar Ghana nam, kwam Pieter weer in ons leven. Hij trouwde ons. Hij werd ook uitgenodigd om zijn oude dag bij ons te komen doorbrengen en hier uit te rusten. Hij heeft na veel aarzeling die uitnodiging aangenomen en heeft, zoals ik aan het begin van dit verhaaltje al zei, bijna vijf vreugdevolle jaren bij ons doorgebracht.
Het was niet altijd even makkelijk maar het was een plezier om hem deze kans te geven. Iets om terug te doen na al die jaren van steun die hij mij had gegeven.
Het is goed geweest maar nu zal het over zijn.
Grenzen verzetten zich als je als oude man te veel van je energie verliest en onze manier van leven hem niet meer kan dienen. Gelukkig dat grenzen weer bijgesteld kunnen worden! Zaterdag of zondag wordt zo’n grens verzet, of lievr wordt er overheen gevlogen, dan gaat Pieter namelijk terug naar Nederland. Hoewel hij vast nog wel eens een vakantietje komt vieren hier om zijn geliefde Ghana weer eens terug te kunnen zien.
Dank Pieter voor je steun aan me, toen je nog in Sampa was. Het was fijn je met een ‘renteniersplaats’ in ons heilige landje te belonen! Dank dat je hier was. Het ga je goed, lieverd.

Pastor Osei met de Rightway Church
Paul met de kleine Kwame Addai,

15-2-09

Omdat we net een zondag-ontbijt achter de rug hebben, waar ik Paul weer in volle glorie met zijn ‘baby Kwame’ heb mogen aanschouwen, eerst iets over student Paul en dan een paar regeltjes over PCC-medeoprichter Osei en zijn nieuwe kerk, waar ik twee weken geleden nog bij in de zondagsdienst zat.
Paul is de modeontwerper die nu al weer bijna een jaar geleden bij ons zijn vervangende dienstplicht kwam uitvoeren. Ik zie nog het moment voor me dat hij zomaar op de stoep stond, zonder aankondiging of wat dan ook. Wie ben je, wat kom je doen? Ik ben Paul, ik kom hier een jaar meehelpen. National Service.
Dat kon niet lang duren, die combinatie afgestudeerde modeontwerper uit de hoofdstad en bij ons in de bush met het verstandelijk gehandicapte kind werken. En toch en toch! Paul is er niet alleen nog steeds, hij vindt het ook leuk om na zijn dienstjaar aan te blijven als hulp-coordinator van de werkplaats. Zo zie je maar weer... dat je soms eigenlijk helemaal niets kan voorzien...

Hier is Paul op deze zondagochtend. Trouwens elke ochtend zit Paul er zo stralend bij aan tafel, met Kwame op schoot die liefdevol kzijn pap binnengelepeld krijgt. Allebei met een brede lach, altijd. Dat is toch heerlijk, zo’n schouwspel?
Paul wordt door werkplaats coordinator Steve Philips verder ingewerkt om in de toekomst bepaalde cordinerende taken over te nemen. So far so good en Paul vind het allemaal leuk en wil graag nog een paar jaar blijven na afloop van zijn stage.
Paul en Steve zijn nu ook met Jelle en Greetje hard bezig aan de zomercollectie 2009, een uitbreiding van unieke nieuwe sieraden en producten uit de werkplaats voor de kleine portemonaie. Kijk maar gauw weer eens op de website onder sieraden!
En Osei, de mede-oprichter uit 1992, die twee jaar geleden ons project verliet en in de stad ging wonen, hoe gaat het met hem?
‘Dominee Osei’ is het nu, jawel. Een jaar en drie weken geleden heeft Osei de grote stap gewaagd en is de oprichter geworden van een nieuwe kerkgemeenschap, de Rightway International Gospel Center. Good for him! Het zat er altijd al in en moest er een dag uitkomen. En ja op 1 Februari 2008 waren we bij de opening van zijn gloednieuwe gemeente. En nu, een jaar later, waren Bob en ik er weer, voor de viering van de eerste verjaardag van zijn pinkster-kerk. Het gaat goed, na een jaar zijn er al meer dan 150 kerkleden ingeschreven bij de nieuwe Pastor Osei met zijn baseballpet.

Maar wat ik natuurlijk nog veel mooier vindt dan het aantal leden in deze jonge kerk is het feit dat ze voor hun eerste verjaardag kruiwagens vol gaven bij onze kinderen kwamen aandragen. En niet zomaar wat maar genoeg yam en rijst en zeep en tandpasta etc etc om weken mee te doen. Dat is nog eens een kerk, Osei, dat is onze kerk!

Zo zie je maar, niets is te voorzien. Ook Osei zelf had dit nooit zo voorzien, zeker weten.

Een zo zo week.
9-2-09

Het is heet, plakkerig heet. Hoewel het al twee keer geregend heeft klaart het na een bui niet echt op. Niet dat dat zo nieuw is, of zo erg, maar er gaat veel energie verloren aan het constant afvegen van zweet dat er in straaltjes van afloopt. Ook als je stil zit, trouwens.
En dat babytje van de Boros is nog niet echt goed. De ouders zijn doodop.
Hinke en Jelle hebben achtereenvolgens een flinke gastroenteritis en een malaria aanval achter de rug. Iedereen is nu weer gezond in het gastenhuisje van de Postma-s, maar dat was even een domper op het bezoek.
Werkplaats coordinator Steve, distibuteur Jelle en vrijwilligster Greetje hebben een week lang hard gewerkt aan nieuwe stijlen en nieuwe prijzen voor de webwinkel.
De dag dat Steve vertrok heeft een van onze werkplaats jongens uit heldere hemel bijna een klein meisje aaangerand. De jongen is onmiddelijk naar zijn ouders teruggestuurd want tussen onze kinderen kan hij dan natuurlijk niet meer wonen. Onmacht. Het akelige is dat deze jongen dit heel onverwacht in zijn hoofd haalde. Maar wat nog akeliger is, is dat we het verhaal niet mochten horen. Het gebeurde Vrijdagmorgen op de school naast ons en het verhaal is naar onze gemeenschap uitgelekt. Ema en Joyce vertelden me ervan. We hoordden het dus eigenlijk ‘per ongeluk’, en dat was niet de bedoeling geweest van de leraren van de school. Waarom? Dat weet ik niet. Ik weet wel dat op de school niet veel interesse in het welzijn van de kinderen wordt getoond. Wel in de naam van de school naar buiten, wat de mensen zeggen dus. Vandaar mischien deze ban op informatie naar ons toe. We moeten de hoodmeester nog spreken want die is er even niet.
De jongen is weggestuurd en nu woont Kofi Asare alleen en iedereen ziet dat hij zich niet gemakkelijk voelt. Mischien is ook hem vanuit de school gezegd dat hij hier niet over mag praten en we praten er ook niet over met Kofi. Nu niet, in elk geval.
Dus geen echt goede week. Dan ook dit nog. Gisteren is een van onze vrijwilligers vertrokken, een stageaire. Trouwens, normaal gesproken nemen we geen stageaires aan om dat we ze niet goed kunnen begeleiden, maar hoe dan ook. Ze kwam een week geleden en zag er ziekelijk mager uit, het viel eenieder op. Met knagende zorg kijken naar dunne armpjes en beentjes die uit haar leuke gesmokte jurkjes staken. ‘Hoe zo, zo mager?’ Het meisje hoorde hier niet, in West Afrika, waar ze na een flinke koortsaanval of diarhea al uit het veld geslagen zou zijn. Dus dat was naar voor haar, zo’n boodschap te ontvangen van ‘je kunt hier als vrijwilliger zo niet werken, gaat niet. Mischien als gast hier? Of eerst wat reizen en aansterken en dan proberen terug te komen?’
Zo is het maar een zo zo week geweest, alles bij elkaar.
Gelukkig dat er ook een andere vrijwilligster, Greetje, is gekomen. Dus zijn er toch nog drie vrijwilligers om te helpen.

Gelukkig ook dat het zo lekker met de kleine Steve gaat. En Dede. En Shalomina.
Steve gaat over vier weken onder het mes voor de tweede serie operaties. Hij geniet intussen van het thuiszijn-gevoel in Nkoranza en vaart er wel bij.
Dede is zelf een klein moedertje met haar nieuwe ‘zusjes’ Alice en Cynthia, of wie er dan ook maar een helpende hand nodig heeft, en nog steeds blij met haar eigen nieuwe moeder Gifty die voor haar zorgt.
En Shalomina? Die wordt dik! Gezellige dikke wangen en heel tevreden! Ze is halfzijdig verlamd en kan niet praten maar ziet er verder opgewekt uit en het ziet er naar uit dat ze op de juiste plek zit. Shalomina was het kleine meisje dat rond de kerst voor onze poort te vondeling was gelegd. Die moeder van haar, die natuurlijk niet meer teruggevonden is, had het wel goed bekeken denk ik!


 

De Boro-Baby

31 Jan 2009

Sinds we in Decemeber vauit Holland terug naar Ghana kwamen, draai ik ook weer mijn twee-dagen-per-week routine in het ziekenhuis. Maar zonder de tijd te hebben gehad om ook de laatste ziekenhuisnieuwtjes te horen. Gewoon te druk met bezoek en allelei onverwachte gebeurtenissen in de Hand in Hand gemeenschap om ook een open oor te hebben voor wat zich op de werkplek allemaal afspeelt.

Maar gisteren heb ik dan Dr. Tano, mijn baas, ontmoet en hadden we de gelegenheid om een beetje bij te praten. In de operatiekamer, wat echt een prachtplek is om nieuwtjes uit te wisselen. ‘Wat is er allemaal gebeurd?’ vraag ik hem.

‘Ha, niet veel, maar druk druk druk! Vanwege de verzekering. Iedereen komt maar naar het ziekenhuis, en op elke mogelijke tijd, alsof ze even op de markt een boodschap gaan doen. Rugpijn en huiduitslag en hoofdpijn en koorts en zere kelen! Allemaal soms in een en dezelfde patient. En ze willen dan dat je naar ze luistert en voor elke klacht een medicijn voorschijft. Gaan ze met een zak vol medecijnen naar huis en verkopen ze de helft aan hun buurman die geen verzekering heeft, dat is het Ghana van tegenwoordig. Ik zit de hele dag in de spreekkamer, echt waar, mijn vrienden klagen steen en been. Ik had laatst een goede vriend te logeren en na een week in mijn huis zei hij, ik ga weg. Als je geen tijd voor me vrijmaakt ga ik weg. Nou, een dag later, ik had een paar spoedoperaties en nog wat, en hij was weg. Gedesillisioneerd over mijn vriendschap voor hem. Tja maar kan ik het helpen?’
‘Jeetje, zo druk heb je het dus. En hoe is het met Dr. Boro? Is hij nog steeds met verlof?’

Dr. Boro en zijn vrouw, ‘Dr. Mw. Boro’, zijn twee artsen uit het buurland Burkino Faso die hier bij ons werken. Tegenwoordig komen er veel artsen uit omliggende Afrikaanse landen in Ghana werken omdat het hier zo goed gaat en de werkomstandigheden dus veel beter voor ze zijn. Het stel had net een tweede kind gehad en ik dacht dat ze nog steeds op vakantie bij hun ouders in Ouagadougou waren.
‘Zijn baby veroorzaakt een hoop last. Hij is thuis, Dr. Boro. Heel erg moe, allebei, hij en zijn vrouw, vreselijk moe.’
‘Wat bedoel je? Zijn ze dan niet met verlof? Wat is er dan met de baby?’
‘Weet je dat dan helemaal niet?’ met wijdopen ogen van verbazing.
‘Nee, ik weet nergens van.Wat dan?’
‘Dat verhaal ken je dus niet? Een paar dagen na de keizersnede al, de baby gaf steeds maar over, kon niets binenhouden. Uiteindelijk naar de specialist in Techiman ziekenhuis, Dr. Wegdam, Dr. Hillal. Dat was een pylorus stenose, verkrampte maagspier, en Dr. Hilal heeft de operatie gedaan. Daarna ging alles goed, de baby begon te drinken en we waren er allemaal weer gerust op. Maar op een dag gaapte de wond open. Dat komt omdat babies zoveel huilen, een bekend verschijnsel. Nou toen hebben we allen samen de wond weer dichtgemaakt maar niet lang daarna gaapte hij weer opnieuw. Nu zijn er spannings hechtingen in de buikwand en kan de wond dus niet meer opengehuild worden maar het was de ene operatie na de andere en de baby huilt alsmaar en niemand heeft in dat huis de laatste tijd een oog dichtgedaan. Nee, hun verlof in Ouagadougou dat is er nog niet van gekomen. ‘
‘En de ziekenhuischauffeur, Willy, ook ziek, ernstig, gaat maandag naar Kumasi voor verdure testen....’

Dr. Tano bracht me weer op de hoogte met alle medische en persoonlijke verhalen van de ziekenhuis staf. Maar ik was getroffen door het verhaal van de baby van Dr. Boro en bleef daar hangen, het bleef door mijn hoofd spelen. Ik besloot die zelfde middag nog even langs te gaan bij hun maar dat hoefde niet, dus.
Want een paar uur nadat ik Dr. Tano ontmoet had en alle verhalen gehoord stak hij zijn hoofd weer rond de deur van de operatiekamer.
‘Dr. Boro’s baby, de wond is weer open. We zijn in de andere kamer, kom gauw.’
‘Nee toch. Okay ik kom eraan.’
Ik stond toen even in gedachten te plannen terwijl ik mijn operatie afmaakte. Gelijk naar Techiman doorsturen. Dan later mischien naar een kinderchirurg in Accra, Korle Bu, of mischien het militair ziekenhuis. …

Ik kom de tweede operatie kamer binnen en daar ligt de kleine, zes weken oude baby heel stil op een veel te grote operatietafel, met de hele St. Theresa medische staf rondom hem heen geschaard. Een heel passieve baby met een voedings-sonde in zijn neusje en een opengegaapte wond in de buik die bij elkaar gehouden wordt door nylon hechtingen, maar waardoorheen je de darmen kan zien liggen, darmen die bij iedere ademhaling even naar boven en bijna naar buiten komt.
Aan de voet van de tafel staat Dr. Tano, die duidelijk de leiding heeft. Aan zijn zeide Dr. Aubrey, die naarstig de baby’s veelgeprikte armpjes afzoekt, op zoek naar een ader om het infuus in te brengen. Het lukt hem niet, de ledematen zijn al doorstoken met oude en nieuwe pogingen om infuusnaalden in te brengen.
Aan de andere kant van Dr. Tano staat Dr. Boro zelf, net zo stil als de baby en naast hem Mw Dr Boro, zijn vrouw, die er nog stiller uitziet en nog meer emotioneel afwezig lijkt te zijn van wat er hier gebeurd. Ze lijkt wel het gezicht van iemand anders te dragen, haar grootmoeder mischien, een gezicht dat gewend is aan verlies. Een kleine vrouw, Mw. Dr. Boro, verlegen. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot haar maar weet niet hoe met haar te praten omdat ze moeite heeft met mijn engels en ik met haar frans.
Naast haar staat de anesthesist en daarnaast het hoofd van de OK en daarnaast weer een van de operatiezusters. Ik kom erbij, de laatste die binnenkomt. Dus daar staan we allemaal dan.
Ik heb die dag dienst wat betekent dat ik alles behandel wat binnenkomt wat betekent dat ik zeg: ‘laten we de baby gauw naar Techiman brengen’
Dr. Tano’s ogen boven zijn maskertje draaien naar mij toe, glimlachend lijkt me.
‘Kan niet. De anesthesie is al gegeven. Ik heb nu Dr. Hilal hier aan de telefoon.’
Ik zie nu ook het mobieltje aan Tano’s oor.
‘Hij zegt dat we de huid dicht moeten maken, alles moeten doen om de huid gesloten te houden... Zonder in de darm te prikken’, grapt hij erbij, duidelijk om de spanning in de kamer te verminderen.
‘Dr. Bosman. Jij gaat het doen’, commandeert hij ‘ Jij bent de oudste hier, jij moet het doen!’
Wel, dus ik doe het. Mijn rechterhand met de naaldvoerder is bijna groter dan het hele buikje van de baby. Het zijn maar een paar hechtinkjes. Niemand praat, niemand trilt. ‘Dank u, Dr. Bosman’ zeggen de beleefde stemmen van eerst Dr. Boro en dan Dr.Mw. Boro naderhand.
We zijn even verbonden geweest in een mystiek soort gebeurtenis, van de soort waar orakels worden gesproken en de toekomst uitgelegd, bijvoorbeeld. Plechtig en geheim. De anesthesist breekt de stilte. Met een alledaagse vraag die op het operatie-rapport moet worden ingevuld.
‘Wat is de naam van de baby?’ vraagt hij. Dr. Boro kijk verbaasd, en is duidelijk in verwarring gebracht door deze vraag.
De baby draagt natuurlijk nog geen naam. De anesthesist moet dit even ontschoten zijn in zijn haast om alles ‘normaal’ te laten voelen in de gespannen situatie.
Hij weet natuurlijk als geen ander dat afrikaanse babytjes niet genaamd en ge-outdoored worden tot na ze de eerste weken buiten de baarmoeder hebben overleefd. Een traditie die te maken heeft met Afrika’s geloof in een geestenwereld maar ook dient om ouders te beschermen tegen een teveel aan pijn en verdriet bij de eventuele sterfte van zo’n babytje. Nog geen naam wil zeggen dat het wezentje nog niet echt buiten de baarmoeder verkeert, maar ergens in een tussenstaat tussen geboren en nog verborgen in de baarmoeder zijn. Met alleen de moeder en andere vrouwen aanwezig om de borst te geven en het wezentje te bewonderen.
Dr. Boro, de vader, begint aan een antwoord maar wordt weggevaagd door de luide stem van Dr. Tano.
‘Schrijf maar ‘De Boro baby’ , commandeert hij.
Een zucht van verlichting door de zaal en de Boro’s lopen achter elkaar naar buiten, met de kleine stille baby op zijn moeder’s arm. Een waardig exit.
We gingen allemaal weer gewoon onze dagelijkse gang.

Trouwens ik had dienst en het moet de Boro baby wel goed vergaan, want ik heb verder geen telefoontje gehad. Mag hij leven hebben!

Het jubeljaar is begonnen
26-1-09

Net terug van de grote boardvergadering van deze middag. Ema en Baffo weten nu van de toekomst- plannen en zijn er blij mee. Echt blij denk ik, hoewel je het nooit helemaal wat de echte gevoelens zijn achter de prettige maar alomtegenwoordige Ghanese beleefdheid.

Dat is dan even het einde van een opwindende tijd van bezoekers, kaas en wijn en andere presentjes, onverwacht prachtig nieuws en grote plannen voor verandering. De plannen zijn gesmeed, het bezoek is weg en er is heerst een stemming van grote tevredenheid. Bob en ik maken in elk geval een heleboel danspasjes zonder dat blijkbaar zelf te weten!
Zo zie je maar, het hoeven niet alleen de groten der aarde, zoals de presidenten Obama en Atta Mills te zijn die over ‘verandering’ praten, wij hier op PCC Hand in Hand hebben ook niet stilgezeten.
OP 26 December, op de dag van het kerstspel, daalde een goede engel, Dr. Ab van Galen geheten, hier neer met de totaal onverwachte en blijde tijding dat hij met behulp van zijn vrouw Jeanette per 1 Jan 2010 de leiding van mij wil overnemen. Jawel! Clap your hands and stamp your feet, hurray!!!





Ab heeft vele jaren als tropenarts in Dormaa Ahenkro hospitaal gewerkt en ze kennen Ghana dus als geen ander. Na een vol professioneel leven in Nederland en drie kinderen die nu geen kinderen meer zijn maar allen hun eigen weg hebben gevonden, heeft Ab zin en tijd om zich aan onze geemenschap te wijden en Jeanette steunt hem hier helemaal in. Ab wordt de nieuwe directeur en per begin volgend jaar zal hij samen met Ema en Baffo het nieuwe bestuur van PCC Hand in Hand gaan vormen.
Alle ijzers zijn gesmeed terwijl ze nog heet waren en de kerstengel toekeek!
Maar ik ben toch twee weken later met blije en ook zorgelijke spanning naar Accra gegaan op de dag dat Ab en Jeanette weer naar Nederland vertrokken, omdat het aanbod bijna te mooi leek om waar te zijn! Maar het is waar! Een volmondig ’ja’ voor de toekomstplannen!
Dat was dezelfde avond dat ik mijn zus Lucie en schoonzus Mary van hetzelfde vliegtuig afhaalde, waarmee Ab en Jeanette ook weer naar Nederland vertrokken.
Niet ‘goede tijden, slechte tijden’ maar ‘goede tijden, goede tijden’, dus!
Met Lucie en Mary hebben we heerlijk wat door Ghana gereisd maar vooral ook bij elkaar gezeten om bij te praten en plezier te maken, ook met Bob, de verzorgers en de kinderen. Een bizondere tijd!

Jammer dat goed tijden, goede tijden zo snel weer omgaan, want op 20 Jan vlogen Mary en Lucie terug naar Nederland/Frankrijk. Met een enthousiaste Ahmed werden ze op Kumasi Airport uitgezwaaid. Ahmed was zo opgewonden over dat kleine vliegtuigje dat landde en met Lucie en Mary weer opvloog en wegvloog, dat er tegen die tijd wel 200 man over onze schouders met ons meekeken om te proberen het wonder te zien dat Ahmed klaarblijkelijk aanschouwde! Gezien zijn aanstekelijk blije en opgewonden gekrijs bij het opstijgen van het vliegtuig.
Ze gingen en maakten plaats voor het werkbezoek van Jan en Franca.
Jan Stoof en Franca de Vries zijn oude vrienden maar sinds Juni doen ze ook substantieel werk voor ons project. Franca neemt de administratie van donateurs over en Jan gaat zich over de de financiele leiding buigen met als doel om bepaalde taken van financieel directeur Bob over te nemen en/of met de inkomende Ab van Galen te delen. Jan en Franca waren al in Ghana voor een bezoek aan hun projecten in Tamale en het bezoek bij ons was ter afsluiting van hun Ghana trip.



Echt bedoeld om, natuurlijk, onze vriendschap te vieren maar ook om samen te brainstormen over de administratieve toekomst van onze gemeenschap. Zo hebben we een vierdaagse gehad van overdag samen vergaderen en s’avonds samen ontspannen die zijn weerga niet had. De toekomstige (ver-)nieuw(d)e stichting in Nederland heeft intussen een stevige vorm aangenomen waar Jan een leidende rol gaat spelen. Vanmorgen zijn ook Jan en Franca weer uitgezwaaid. Met een lied en een brok in de keel.
Intussen is de wijn op, en de kaas bijna. Maar die hebben we ook niet meer nodig nu de ‘goede tijden, goede tijden, goede tijden’ almaar door blijven gaan.
En intussen heeft de board-vergadering plaatsgevonden waar ik dit verhaaltje mee begon.
In feite is al dit nieuws zo groot en zo mooi dat er geen manier is om het echt tot zijn recht te laten komen in dit rubriekje, maar toch.
De baby is geboren en mag aan de wereld worden getoond! Outdooren heet dat in Ghana.
Het jubeljaar is begonnen.
En vanaf Januari 2010 zullen Bob en ik ergens bij de rots op de heuvel gaan wonen om ook zo te laten zien dat onze taken zijn overgenomen door veelbelovende nieuwkomers en we ons tevreden kunnen terugtrekken op die plek waar doorgaans niet gewerkt wordt maar vakantie wordt gehouden! De heuvel met de rots.
We zullen dan de mensen worden van een liedje wat Bob zo graag zingt. Dat gaat over ‘The folks who live on the hill, no longer the young Jack and Jill...’

De lege stoelen staan er nog, on the hill.... na de vierdaagse met Jan en Franca, het zussenbezoek en daarvoor de wonderbaarlijke gebeurtenis van de engel Ab met goede tijding!

Nieuwjaar, verandering en als vanouds.
7 Jan 2009

Is dat nog met elkaar te rijmen? Het klinkt tegenstrijding maar alles is weer als vanouds nu het nieuwe jaar is begonnen en ‘de verandering’ plaats heeft gevonden.
Hier nog een laatse gouden foto van onze groep kinderen op nieuwjaarsdag, in hun nieuwe feestkleding. Prachtig!



Maar de feestjes zijn over en de kerstversieringen terug in de doos. (Behalve dan die paar snoeren kerstlampjes die uitverkoren zijn te blijven hangen tot ze een natuurlijke dood sterven.)

De droge Januari lucht zorgt her en der voor gekloven hielen, uitgedroogde lippen en een droge hoest. In het ziekenhuis is het bomvol en duiken de eerste gevallen van nekkramp en longontsteking al weer op, gevolg van de koele en stoffige woestijnwind die vanuit de Sahara over Ghana blaast.

Het is in elk geval heerlijk om s’ochtends nog eens dat deken over je heen te trekken en een uurtje door te slapen. Verdwenen de vroege rijzers die om 5 uur s’ochtends al met emmers en kookpotten rommelen, gebruikmakend van de koelte van de vroege ochtend. De koelte is in kou veranderd en onze mensen lopen in dikke windjacks met capuchons over het hoofd getrokken, met truien en doeken en leggings, ijsmutsen op. Pas als de zon midden op de middag goed doorkomt is het lekker om die koude douche te nemen waar we het altijd over hebben, maar die nu echt akelig koud is!

Ook alle polemiek, de felle gesprekken over welke politieke partij gaat winnen of zou moeten winnen tijdens de verkiezingen, zijn opgedroogd. Unaniem is Ghana het erover eens dat ‘verandering’, na acht jaar regering van de NPP, gewensd is. En Meneer Atta Mills van de NDC, de oppositie partij, wordt binnekort zonder verder gezeur als nieuwe president beedigd.
Maandenlang stonden de kranten, de radioprogrammas, de straathoeken en de bars bol van de verschillende politieke meningen maar nu is men het geheel en al tevreden met de uitslag en wordt er niet meer nagepraat.
Het gewone leven gaat door. De verkiezingen op 8 December eindigden fifty-fifty, een tweede verkeizingsronde op 28 December liep bijna weer op 50-50 uit en uiteindelijk gaf een derde herstemming in een kiesdistrict niet ver bij ons vandaan de doorslag. Dat was op 2 Januari.



Het hele land is het er nu over eens dat de NDC heeft gewonnen en vandaag stond de krant vol fotos van oud-president Kuffour die de nieuwe president Atta Mills begroet en glimlachend zijn nieuwe huis laat zien.

De hele wereld staat nog even met open mond te kijken naar dat fenomeen Ghana, waar de democratie zo voorbeeldig en vreedzaam werkt, bijna oubollig. En dat in tegenstelling natuurlijk met de rest van het Afrikaanse continent.



En hier is men dus weer gewoon bezig met de orde van de dag. Echter niet zonder ape-trots te zijn op het fenomeen van de Ghanese verkiezingen en tevreden met het resultaat.

De partijen zijn trouwens allebei pragmatisch en aan elkaar gewaagd. ‘Change’ was altijd al de belangrijke slogan van de oppositie partij en ‘Moving Forwards’ de slogan van de regende partij. Bij de verkiezingen acht jaar geleden, in 2000, gebruikte de NNP, toen oppositiepartij, de slogan “We want positive change’. (Natuurlijk, wie wil er nu een nagatieve verandering!) De NPP won toen, en nog eens vier jaar later in 2004. Maar in 2008 gebruikte NDC, nu al acht jaar in oppositie dezelfde slogan die zijn tegenstander in 2000 gebruikten, ‘We Want Change’. (gelukkig het ‘positieve’ eruit gelaten als overbodig taalgebruik)
‘Waar hebben ze het toch allemaal over, Baffo?” “Wat is die ‘verandering’ dan, waar bestaat die dan uit, Osei?” “Wat verandert er dan, afgezien van namen, Patrick?”
En pas nu heb ik begrepen waarom verandering zo belangrijk is. Verandering betekent vervanging, de vervanging van mensen aan de top, (en dus niet een verandering in de politieke standpunten zelf). Op die manier wordt de keten van corruptie steeds onderbroken. Vernieuw de leiding om de vier of acht jaar en licht elke afdeling weer eens door en er is hoop dat meer en meer machtsmisbruik wordt blootgesteld en uitgezeefd. Uiteinelijk hopelijk voorkomen. Niks anders dan in een groot bedrijf. Zo zit dat, heb ik nu pas echt begrepen. De twee oppositiepartijen hebben ongeveer dezelfde programmas. Het gaat dus puur en alleen om, om de leiders te verversen en door te laten stromen.
Ja en nu is er Atta Mills, de nieuwe CEO voor Ghana, door de aandeelhouders is aangesteld, bij wijze van spreken. En het nieuws is over en men gaat als vanouds door. Is ook heel verstandig natuurlijk, dat ik daar niet eerder aan heb gedacht. “Dank je Baffo, Osei, voor de uitleg.”
Niewjaar. Verandering. Als vanouds. Het klinkt allemaal goed gestructureerd en prettig traditoneel Ghanees. Niemand doet ons dit na!

Letitia samen met Steve met de ingegipste benen helemaal naar Nsawam in het nieuwe jaar. Het Revalidatiecentrum was nog dicht op die eerste zondag dus mocht Letitia met Steve in een hotel slapen. Eerste keer! Hoeveel eerste keren hebben we Letitia al niet bezorgd met al die opdrachten rondom Steve, de een na de ander. Ze moest over de telefoon giegelen over dat hotel. ‘Was je bang?’. Helemaal niet’. Was het een leuke ervaring?” ‘Ja, Mamma!” Vandaag weer een telefoontje van haar. ‘Mum we zijn nu in Nsawam en de dokter heeft het gips eraf gehaald. Mum er moet eerst nog een andere operatie aan de knie plaatsvinden voor Steve echt kan gaan oefenen!’ “Oh, nou ja, okay! Mag hij dan weer thuiskomen van de arts, en hier naar school?”
Ik kreeg Raphael zelf aan de telefoon en die zei dat na de speciale schoenen die nog aangemeten moesten worden, hij inderdaad weer naar huis kon. Dan in Mei weer operaties in D.Nkwanhtah en daarna dan echt leren lopen in Nsawam, voor een heel aantal maanden. “Fijn, goed, is goed dat hij nu terug komt en eens even een langere tijd weer bij ons is. Gaan we hem met spoed echt van alles leren! Laat weten als hij gehaald kan worden?”
Allerlei nieuwe beginnen en positieve changes en dan ook het ‘als vanouds’, dat is ook Ghana! Deze kwestie had eerder besproken kunnen worden, dat had heel wat op en neer gescheeld, dan hadden we wat professioneler kunnen plannen. Maar een kniesoor die e rop let. Letitia heeft nu in een hotel kunnen slapen en Steve heefy zijn langste autorit so far genoten en ortopedische schoenen, dat ook. Iedereen lacht uiteindelijk, er zijn alleen maar winnars hier. Ook dat weer een stukje Ghana als vanouds!

 

Oudejaarsdag
31-12-08

Het loopt pas tegen de middag maar het hout voor het open vuur ligt al kant en klaar om vanavond gestookt te worden. Een erg smal en hoog bergje sprokkelhout, deze keer. Dat komt omdat we een nieuwe zomerhut hebben, met veel meer ruimte om samen te eten, maar daardoor minder plek voor waar het traditionele houtvuurtje op oudejaarsavond altijd plaatsvindt. Dan maar zo, want onze tradities zijn ons na zoveel jaar best heilig en het komt dus niet in ons op om het houtvuur naar ergens anders te verplaatsen. Dan dansen we straks maar in een wat kleinere cirkel, hoewel het aantal kinderen weer toengenomen is. Het zal er alleen maar intiemer op worden, met het fascinerende vlammenspel wat dichter bij. (Hopelijk nog wel veilig!) Morgen dan het nieuwjaarsfeest en dan is het weer gedaan met de feestelijkheden. Dan mogen de versieringen weer in de doos voor volgend jaar, en zal ook de non stop ‘I wish you a merry christmas’ song worden uitgezet en dat wordt dan ook weer een prettige verademing!
Het zijn zulke prachtdagen geweest, zo’n keten van blije en gekke en wonderbaarlijke momenten. En deze keer is alles op onze traditionele manier door de verzorgers zelf uitgevoerd, wij mensen die hier de leiding hebben hoefden alleen maar het budget in te vullen en verder vooral veel te genieten. Over het succes van vanavond hoeft niemand ook meer in te zitten en kerstmis 2008 kan nu al te boek staan als het stralendste kerstfeest ooit.



Joshua kwam voor de kerst terug van de doven-school in Jamasi en werd onmiddelijk weer gevierd door zijn grote familie van vaders en moeders, broers en zussen. Ook heeft hij vele uren stil bij het kerstboompje in ons huis doorgebracht, in duimzuigende verwondering om vooral dat mooie engeltje. Stephen werd gelukkig op tijd voor de feestekijkheden uit het ziekenhuis ontslagen om bij ons de kerst te vieren tot hij op 5 Janauri, nu voor een nog langere tijd, naar het revalidatie-centrum van Broeder Tarcisius in Nsawam verhuist. Met beide benen in gips, gedecoreerd met prachtige lange rode sokken, en een lach van oor tot oor, heeft hij hier zijn meest te gekke blije feest ooit gevierd, tenminste dat lijkt me zo. Hij danste en danste en danste maar en het ging maar door en ging maar door! De ene vrijwilliger na de andere, de ene verzorger na de andere, iedereen wilde met Steve in de armen ronddansen en rondspringen en hij kon er maar niet genoeg van krijgen.



Aanstaande maandag gaat hij al weer weg, voor intense en langdurige physeotherapie. Hij zal zo’n vier tot zes maanden in het orthopedisch centrum van Br. Tarcisius in Nsawam, bij Accra, mogen verblijven. Ja, mogen,want het is een heel beroemd centrum en het is een eer om daar opgenomen te mogen worden. Zijn verzorgster Letitai gaat weer met hem mee en wat fijn dat dat zomaar gebeurt, dat daar niet in het minst om gemort wordt in Ghana.



Letitia is sinds November al met Steve in het ziekehuis geweest en heeft Steve door alle moeilijke momenten heen geholpen. En hem dagelijks gewassen en verzorgd. En eten voor hem gekookt, ergens buiten het ziekenhuis op een houtvuurtje, ergens met een teil en ouderwetse stuk zeep en waslijntje. Nu, met kerst, danst ook Letitia zo blij als een kind in de rondte. En straks gaat ze weer naar dat revalidatie kliniekje. Zomaar. Zonder Letitia zou die kleine jongen heel erg verloren zijn geweest. Het is nog maar kort geleden dat hij uit een weeshuis hierheen is gehaald en de constante veranderingen in zijn leven, van thuis naar op straat gedumpt, van op straat gedumpt naar een weeshuis, van dat weeshuis naar onze leefgemeenschap... en dan weer voor operaties naar dat ziekenhuis en voor revalidatie naar een andere kliniek, veel te veel ontworteling voor een volwassene, laat staan voor een kind. Maar de constante aanwezigheid van zijn verzorgster houdt hem dwnk ik ‘bij elkaar’ en bij ons thuis. Keuze is er trouwens niet. In een land als Ghana komt dat niet elke dag voor, dat een ortopedisch chirurg uit Nederland ingewikkelde operaties komt doen voor een patientje als Steve, en dat er plek is voor nazorg in dat supercentrum in Nsawam. We hebben geluk gehad. Als Steve eenmaal heeft geleerd om zelfstandig te lopen, ja, dan kan hij echt voor goed bij ons thuiskomen en dan gaat er een nieuwe, veilige en stimulerende wereld voor hem open zoals hij die nog niet gekend heeft. Dan kan hij bij ons grootworden tot hij eenmaal, volwassen, uit huis zal gaan om te trouwen en zijn eigen toekomst op te bouwen. Want Steve’s enige handicap is een lichamelijke en daar wordt hij nu dus aan geholpen. Niets zal hem straks letten om zijn vleugels te spreiden en uit huis te vliegen. Een van de weinigen bij ons met zo’n optimistisch toekomstperspectief...
Wat nog meer.
Onze nieuwe kleine Kwame, die nu sinds drie weken bij ons is, heeft geluk gehad. Waarom? Omdat Kwaku Chairman zich als de kleine baby Jesus in het kerstspel steeds onmogelijk misdroeg. Een keer kwam hij zo wild van de kribbe waar hij geboren zou worden (Maria was nog in verwachting en op zoek naar de stal) te vallen dat hij bijna een schedelfractuur opliep. Hij vondt het opwindender om schijngevechten met zijn witte doeken aan te gaan dan om gewikkeld in die doeken te liggen stralen! Niks voor Kwaku Chairman ook eigenlijk! Dus ontving Kwame op het allerlaatste moment de eer om de hoofdrol van Jesus te mogen spelen. Bijna verloor hij die kans weer door op de dag van het spel zelf een behoorlijke malariaaanval te krijgen maar met injecties, stroopjes en toffies lukte het toch om hem die paar uur in vorm te houden. Hij speelde een charmante wat meditatieve Jesus en vanaf de schouders van herders en engelen straalde hij naar zijn medemensen.



Kwame Jesus bleef ook in zijn waardigheid toen hij tegen het eind steeds wilder op dansende schouders werd genomen en in de lucht werd gegooid onder het eindeloos geroep van hosannahs en halleluias.Hij had genoeg pose om niet in paniek te raken hoewel het nooit helemaal duidelijk voor hem geweest moet zijn wiens handen hem weer netjes op zouden vangen, elke keer opnieuw. Althans voor mij als toeschouwer was dat niet zo! Goed afgelopen! Well done, Jesus!
Dit jaar was het kerstspel zo goed dat de spelers er aan het eind van het spel niet mee konden ophouden. Het applaus werd gevolgd door het een voor een voorstellen van alle spelers aan het publiek, met meer applaus natuurlijk, en een uur na afloop werd het succes van de toneelgroep nog steeds gevierd. Wat is er mooier dan mensen te zien die zo blij zijn met zichzelf en elkaar dat ze elkaar blijven vieren! Dat gebeurde na het kerstspel en was denk ik het mooiste moment van alle mooie momenten van de kerst van dit jaar. Vrijwilliger Maarten gaf als afscheidskado aan alle kinderen een leuk lappendeken, net op tijd voor de harmattan, de koude droge woestijnwind die stilletjesaan is gaan waaien.



Het internet café deed het een week lang niet. Dan zit je toch opeens te kijken met je email verkeer?! Maar gisteren was er voor het eerst weer iets van een verbinding, zei het zwakjes. Ook vandaag schijnt de sateliet-verbinding nog te werken en alle vrijwilligers en iedereen die elders familie en vrienden heeft (wie niet?) is naar het internetcafe gespoed om alsnog kerstgroeten en telefoontjes en emails te doen. Ook ik ga dit verhaaltje snel afronden en naar het cafe snellen om vanavond op tijd weer terug te zijn voor het kampvuur-feest.
Gelukkig nieuwjaar aan allen die dit lezen. Het onze gaat dacht ik heel gelukkig worden.

Een vondeling bij de poort.
16 december.

Het is precies een week geleden sinds we terug naar Ghana vlogen en hoog in de lucht mijn 64ste verjaardag vierden. Vandaag voelt het alsof ik al jaren geleden een jaar ouder ben geworden! Zo veel is er al weer gebeurd. Maar het is goed om terug te zijn, dat wel. Alle kinderen zien er goed uit, inclusief Steve die nog in het ziekenhuis in D Nkwantah ligt. Morgen zal een revalidatie team besluiten wat er met Steve gaat gebeuren. Of hij naar Nsawam moet gaan voor zijn oefeningen, of mischien in dat ziekenhuis mag blijven, of, nog beter, met de kerst weer bij ons thuis mag komen.
Twee vrijwilligers, Tessa en Jan, zijn al weer op weg naar Nederland, we zullen ze missen. Er zijn twee nieuwe vrijwilligers, Sara en Janneke, voor in de plaats gekomen. Twee verzorgsters, Agnes en Grace, gaan bij ons weg. Ze zijn allebei door hun familie gevraagd om thuis in het gezin te komen helpen en geen van beiden kunnen ze ‘nee’ zeggen, dat laat de Ghanese cultuur niet toe. We hebben al weer drie nieuwe meisjes, Alice, Perpetua en Konadu, geintervieuwt en die beginnen deze week bij ons te werken. Een komen en gaan dus. Drie inplaats van twee omdat we intussen ook weer nieuwe kinderen hebben die ene verzorgster nodig hebben.
De dag na onze landing, op 10 December, kwamen we van Accra naar Nkoranza terug met twee nieuwe kinderen uit Osu Kindertehuis, namelijk Dede en Kwame Addai. Lieve grappige kinderen die ons gezin gaan veriijken. Dede is 8 jaar, een parmantig meisje met Down Syndroom en Kwame is nog maar amper twee jaar en is gewoon wat langzaam (maar wel zeker, hopen we) in zijn ontwikkeling. Kwame is bij verzorger Augustin geplaatst en Dede had het geluk Gifty als moeder te krijgen. Akwaaba, allebei.



En vandaag…….kwam Shalomina er zomaar bij! Twee uur geleden werd het naamloze en sprakeloze meisje dat gisteren bij de poort van Shalom Special School was gevonden ‘Shalomina’ gedoopt.
Echtwaar? Ja. Echtwaar! Een vondelingetje aan onze poort. Het stond op een dag te gebeuren naarmate we meer bekendheid kregen in Ghana en vandaag is het dan gebeurd. We zijn geen vondelingtjes gaan halen bij andere instellingen in Ghana als er er klaar voor zijn maar er wordt zomaar een meisje bij ons aan de deur neergelegd. Triest maar waar.
Vanmorgen kwam de hoofdmeester van Shalom Special School ons verwelkomen na onze reis en tegelijkertijd ook het verhaal van dat meisje vertellen. Weer een paar uur later was hij terug, met versterking van een aantal notabelen uit het dorp, om ons officieel te vragen verder voor dit kindje te zorgen.
Hij vertelde hoe hij de avond tevoren geroepen werd om een klein ellendig hoopje kind te aanschouwen, een meisje van zes of zeven die stilletjes bij de poort lag te huilen. Iemand had een vreemde vrouw gezien, even tevoren, maar die was verdwenen toen het kind ontdekt werd. De directeur van de school zegt nu naar de poltie te gaan om aangifte te doen. Hopelijk gaan die op zoek naar de vrouw die dit kind heeft achtergelaten maar de kans dat zo iemand gevonden wordt ik natuurlijk klein. En ja, later komt hij dus terug met de politie inspecteur en de social werker en nog wat belangrijke mensen om ons dus officieel te verzoeken het kind bij ons op te nemen, ‘pending investigation’. Natuurlijk hebben we ‘ja’ gezegd. Eeen kerstkadootje!
Het meisje is aan de linkerzijde verlamd en verder heeft ze nog geen woord uitgebracht.
Maar….. ze kan glimlachen. En ze kan eten! Twee belangrijke factoren die aangeven hoe de verder ontwikkling zal zijn. Onze verzorgsters beginnen zich dan ook te ontspannen en met veel gelach wordt Shalomina het naar de zin gemaakt. Die gaat het in d etoekomst wel maken in het Hand in Hand leven.



Ik weet dat dit verhaaltje doet denken aan een van de Dickens vertellingen uit de 19de eeuw. Het Meisje met de Zwavelstokjes of Olivier Twist. Armoede, honger, weeskinderen die op zichzelf zijn aangewezen, enorme tegenstellingen tussen rijk en arm. En in feite is de Ghana nu en Europa een eeuw geleden te vergelijken hoewel Ghana snel begint in te halen. Shalomina nu zal het in elk geval beter hebben dan OlivierTwist toen!

Oh en wie komt er om 5 uur smiddags nog even binnen zeilen? Augustina met haar moeder en haar twee babies!



Mijn hemel wat een vreugde. Omhelzingen en een gekakel en gelach! De tweeling is al zes maanden, ze zien er mooi dik en gezellig uit. Ze zijn Bob en Bosman genoemd, naar ons, en werkelijk, kleine Bob lijkt een beetje op Bob en kleine Bosman lijkt een heel klein beetje op mij! Augustina zelf is erg serieus (het is dan ook een ernstig iets in Ghana, zo’n bezoek!) en de grootmoeder is blij en goedpraats. Bob geeft grootmoeder in Ilse’s naam 100 euro voor de verzekering en verdere bijvoeding en iedereen is nog eens extra uitbundig blij. Nog eens nodigen we Augustina en haar grootmoeder uit ten allen tijde op de werkplaats te mogen terugkomen. Dat we er dan een mouw aan gaan passen, met of zonder grootmoeder, met of zonder kinderen. Ze gaan erover denken. Fotosessie en....weg zijn ze en ik val doodmoe neer en ben blij in Ghana terug te zijn. Wat een leven!


Een prettige vertraging
8 dec 08

Het is tijd om het huis schoon te schobben en de koffers te pakken. Morgen, 9 December, op mijn verjaardag, gaan we weer terug naar Ghana. Dat is meer dan drie weken achter op schema. Baffo belde al een paar keer op. ‘Komen jullie op de 19de? Okay dan, ik kom je ophalen’. Intussen had ik de uitslag van een biopsie en die was niet goed, Baffo weer bellen. ‘Sorry ben je al op weg? Ach Heer! Er is iets tussen gekomen, ik moet een kleine operatie ondergaan, we hoorden het net nu pas’.
We hoopten nog voor de kerst naar Ghana te komen maar bij alle ziekenhuizen zijn lange wachtlijsten en mijn basocel-ding is wel urgent maar niet echt urgent, blijkbaar. En na 9 December zijn alle KLM-vluchten vol, tot Kerstmis. We willen echt kertmis met de kinderen vieren dus stoutmoedig zetten we de ticket om op 9 december, anders zijn die laatste plaatsen straks ook nog weg.
Dan gaan we naar een chirurg in Amsterdam die ons mischien wel wil helpen, een vriend van een kennis etc etc. En jawel! De vriend van de kennis bromt vriendelijk:‘Das een ding van niks, doe ik wel even tussen door, kom op de 25ste en kom weer op de 2de om de hechtingen eruit te halen en dan kan je terug naar Ghana. Geen enkel probleem. Zo gezegd zo gedaan, dank je dokter en vriend en kennis, de hechtingen zijn eruit, al het kwaadaaardige weefsel is weggesneden en ik ben aan het schobben en pakken.
Gisteren Baffo weer aan de telefoon. ‘Hoe is t met Maame? Operatie goed? Komen jullie?’ ‘Ja, absoluut, volle kracht vooruit, we komen echt op de 9de weer thuis. Ben je dan niet aan het stemmen Baffo?’ Hij lacht. ‘Dat is de 7de Als jullie komen is er al een nieuwe president in Ghana.’

Er is zoveel gebeurd dat ik niet zou weten waar dit rubriekje te beginnen.
In Ghana: Steve is al twee keer geopereerd en zit van alle kanten in het gips. In Ghana horen we wel wanneer de derde operatie plaats vindt. Lisa heeft haar been gebroken en ook zei heeft drie weken in het ziekenhuis gelegen, in Techiman. Been in tractie aan de katrollen. Ook lisa heeft er niet echt van geleden, blijkbaar. Ook zij, net als Steve, heeft het meer als een uitje gezien, zo’n ziekenhuisbezoek, dan als iets akeligs. Dank zei Felicia die er natuurlijk drie weken naast zat. Zoals letitia al vijf weken naast Steve in D. Nkwantah ziekenhuis zit.
Onze caregivers he, wie zou ze het nadoen!
Verder was het grote nieuws in Nkoranza dat Vlisco, stoffenfabirek in Ghana, ons vijf pakken met stoffen heeft gegeven. Kleine foutjes, niet voor de verkoop, maar voor ons een geweldig kerstkado! Alle kinderen in nieuwe kleren en alle verzorgers ook. En nog stoffen over om in de werkplaats te gebruiken.

Ja en wat er hier al niet gebeurd is, mijn hoofd tolt. Dat totaal onverwachte ziekenhuis gebeuren was spannend, irritant, tijdrovend. Maar wat een geluk bij een ongeluk! Wat een heerlijke tijd gehad in Nederland! Zo heerlijk dat ik Israel al bijna vergeten ben.
Ik schrijf weinig, alleen maar twee schetsjes. U moet maar geloven dat het goed was allemaal en dat het tijd is om naar huis te gaan, naar Ghana.
Schets een. Israel.
We vinden een gratieus arabisch hotel vlak bij het oude Jerusalem binnen de muren, bij de poort van Damascus. Heerlijk vind ik dat, ik kan in dat oude heilige stadsdeel rond-slenteren en eeuwen geschiedenis inademen. Dagen heb ik daar gezeten en gelopen en geroken en geluisterd. Zelfs de eeuwenoude doorgesleten stenen op de grond stralen een heilig soort sereniteit uit. Ik wordt meer mezelf. Op een dag loop ik de kerk in die neergezet is op de plaats waar Jesus is begraven. Horden en horden en nog eens horden pelgrims en vooral toeristen. Op onzichtbare wijze toch geordend want bijna iedereen hoort bij een gids en bij een groep. Ik niet. Ik wil gaan zitten op een traptrede maar het is te rommelig en er moeten steeds groepen mensen langs. Dan zie ik een paar verstilde banken met mediterende mensen. Daar ga ik bij zitten, hier begin ik nog meer bij mezelf te komen. De rij verschuift ongemerkt en opeens zie ik dat achter ons biechthokjes zijn, een moderne uitvoering van de oude biechtstoelen die ik van vroeger ken. Voor ik het weet ben ik de volgende en ik laat t gebeuren. Had ik dit gewild? Mischien wel. Ik maak op mijn beurt het lichthouten deurtje open en kom in een heel klein heel licht kamertje. Er zit een jonge priester met een vriendelijk rond gezicht en een ijzeren brilletje. Ook ik ga zitten, tegenover hem. Ik zie dat er twee mogelijkheden zijn, stoel om te zitten, bankje om te knielen. Ik zit dus tegenover de vriendelijke jonge man. Hij kijkt me aan en ik hem. Ik ben alle formules en gewoontes van deze plaats vergeten. ‘Dit is erg lang geleden’, zeg ik, ‘mischien wel dertig jaar’. Een bemoedigend knikje. Deze man heeft alles al eens gehoord, jong als hij is, en zal nergens verbaasd van staan. De priester mompelt wat ik denk dat een gebed is en kijkt me aan. ‘Nou?’ ‘Ik wil er weer bijhoren’ zeg ik. Ik hoor het mezelf zeggen. De man verbreedt zijn glimlach en knipoogt een beetje. Hij lijkt me een Zuid Amerikaan, heeft een mooi accent. ‘Waarbij dan?’ ‘Ah, bij die kerk, die gemeenschap van mensen, de mystiek, bij God.’ ‘Ik wil thuiskomen’. ‘Waar woon je dan?’ (Oef ik bedoelde geestelijk thuiskomen maar hij is zo aardig dus ik wil ook best een praatje plegen en begin over Ghana. En Holland. En Amerika. En een Joodse man die ook in Israel thuiskomt. En onze kinderen.) ‘Wij hebben ook missionarissen in Ghana’ zegt hij met groot enthousisame. Hij is Fransciscaan begrijp ik. Waar? In Sunyani en langs de kust. We zitten naar elkaar te lachen, zomaar. Is er nog meer vraagt hij. Nee, dat is het. Hij zegt iets en slaat een groot kruis en ik groet en sta op en ga weg. Wil weggaan maar de deur gaat niet meer open. Ik draai aan de kruk van de deur maar er gebeurt niks. Ik draai harder, voel me onnozel. Dan wordt er van buiten aan de deurknop gedraaid en de deur zwaait open. Die deurknop doet het vaak niet zegt een andere Fransiscaan verontschuldigend. Ik val naar buiten en een ander komt naar binnen en neemt mijn plaats in. Ik ben een stuk blijer geworden. Teverden loop ik terug naar ons fraaie kleine hotelletje waar Bob op me wacht. ‘Wat heb je gedaan?’ ‘Ik mag er weer bijhoren!’ ‘Oh wat ben ik blij voor je’, zegt de lieve Bob me in zijn armen sluitend. ‘Ja pas maar op, die kerk van ons. Zo verblijdend is die nou ook weer niet, dat heb ik je vertelt!’ Ik kan het niet laten..

Tweede schetsje. In Nederland. Ik ben thuis bij Dorrit, Dorrit mijn vriendin die ook onze vrijwilligers coordineert en nog t een en ander voor PCc doet. De laatse weken hebben we een beetje in de clinch gelegen zoals dat wel vaker gaat met goede vriendschappen. Alles is uitgepraat, over, de rust is wedergekeerd en we drinken thee. Dorrit vertelt me iets. Mischien hebben we het over moed gehad, of over je aanpassen in een vreemde cultuur, of proberen erbij te horen. Ik weet niet meer hoe het kwam dat Dorrit erover begon te vertellen maar duidelijk ligt haar hart in het verhaal en ik zie haar ogen opvlammen, ze ziet het tafereel zelf ook weer voor zich. ‘Op een koude Novemberdag net als nu. Ik was in gedachten verzonken en was al lang een beetje droef, had al lang niet meer echt gelachen. Dan komt zo’n oude man, een Marokaan, aanfietsen. Verkleumd was hij. De wind sneed, net als vandaag. De man was van top tot teen in een van die lange bruine tunieken gehuld, van die traditionele kleren waarmee ze ook in het atlasgebergte rondlopen. Muts op en wanten.
Die toch opmerkelijke verschijning, oude traditionele Marokkaan op Nederlandse fiets in de kou, heel voorzichtig en heel zwabberig doorfietsend, deed me beter kijken. Mischien wel de eerste keer dat hij alleen fietste? Zijn stuur zwabberde, kon niet kiezen tussen links en rechts, overcorrigeerde steeds. Ik zag hem en begon ondanks mezelf te lachen. Ik lachte naar die oude Marokaan. ‘Waar gaat U naar toe meneer? Naar links of naar rechts? Of allebei mischien? De oude man verstond het vast niet maar hij zag dat ik naar hem keek en dat ik moest lachen. Weet je op dat moment leefde ik op maar hij ook. Met een enorme tandeloze krul van een mond lachtte hij terug naar mij en onze ogen ontmoetten elkaar alsof we elkaar al heel lang kenden. Dat is het plaatje. Iets dat me troostte en ook nu nog troost als ik eraan denk. Wat is zijn verhaal, vraag ik me dan af. Hoe zou dat zijn, op je oude dag naar Nederland gehaald. Geen taal. Geen tanden. Alles nieuw. Hoe vaak zou hij terugdenken aan zijn oude dorp? Moedig! En vol pret, dat vooral, wat een gevoel voor humor! Een mond zonder tanden en een intens lieve lach die ik niet meer vergeet.
Dit is zo maar. Van de hak op de tak een beetje.
Maar, vind ik, wel aardig allemaal, en o zo troostend en menselijk. Van de moed van Steve en Lisa, tot de kennis van de vriend die dit operatietje wel even deed, tot de Franciscanen die de deur in Jerusalem niet repareren tot Ineke die erbij wil horen tot Dorrit die iemand op een fiets in de Nederlandse kou ziet en zijn mooie tandeloze lach maar niet kan vergeten.
Voila, morgen naar huis! Dat is echt lachen!

(From Steven Philip’s blog-log, 22-11-08, with permission)

Stephen is about 3 or 4 years old. He came to us in May from an orphanage in Kumasi. He’s not like the majority of other kids who live here – he’s physically disabled, like some of the other kids, and he’s been totally abandoned, like all of the other kids – but unlike most of the other kids (except maybe some of the kids with cerebral palsy) he doesn’t seem to have any kind of intellectual disability. There was a volunteer at the orphanage who came and asked Ineke to consider taking Stephen here. The staff at the orphanage never allowed much physical contact, didn’t want the kids to be picked up or held, etc., according to the volunteer – and she felt strongly attached to Stephen and promised that she would continue to send support to cover his expenses here at PCC (a promise which was kept for only a couple of months, unfortunately; I think sometimes people return to their countries and the time they spent here in Africa becomes a dream to them, hopefully a good memory, but something from which they eventually feel distanced).
We were able to take Stephen to the people from the OTC (the Orthopedic Training Center - I tried to find a good link to include for this place, but couldn't find one in English). I often used to take people with disabilities there – when I was living and working with Hope for Life in Accra and then again when I was on the refugee camp. So it felt like seeing old colleagues again; old colleagues who were recommending surgery for Stephen – in fact, a series of surgeries which, along with the recovery and therapy process, might last up to a year.


my photo of a picture taken of Stephen and his "Mom" following his surgery



Stephen’s legs are bent up (just to clarify, this is not the technical, medical diagnosis), and he crawls around – and he’s a bundle of energy, chasing after the other kids, fighting (both play-fighting and serious fighting), laughing, crying, asserting independence yet demanding attention. Basically, he’s just a typical 3 – 4 year old (with bent up legs).

Stephen sitting up in bed upon our arrival

Greeting Janet, and maybe more importantly, trying to get some cookies from her purse


We went to visit him a little over a week after the first surgery….. Joyce, who’s like the mother of everyone here, Janet, the woman in the kitchen who keeps us fat, Philo, a little girl that Joyce takes care of, and Emmanuel (Ema), one of Stephen’s buddies.





Within no time, Stephen demonstrated he’s the same bundle of energy, shouting out Ema’s name, laughing loudly, crawling on the floor, chasing after Ema, taking

playful swings at him.
And doing all of this with casts that go from above his knees down to his just above his toes.
Stephen teaching Ema how and where to properly kiss his "baby"



Leticia, his “mother”, has been staying with him in the hospital – taking good care of him, making sure he stays fat. He’s also made good friends with Isaac, the boy in the bed next to his, who has the same casts on his legs that Stephen has. Just this week, 12 days after his first surgery, Stephen has received the second operation. Now we’ll see how the things progress – if any more surgeries will actually be necessary, how much time for the therapy, and how long before he can return to his home here at PCC.
(from Steve’s blog, 22-11-08)

 

Ntiamoah vindt werk, Paul komt terug en de wonderdoeners komen naar Nkoranza.

26 Oktober 2008

Ntiamoah heeft werk gevonden. Vanaf het moment dat hij kwam, tien jaar geleden, heeft Ntiaomah ervan genoten om smiddags in het midden van het zwembad te gaan staan en met armen vol water de randen schoon te sproeien.



Met zijn eindeloze energie kon hij het zwembadje kunstmatige golgslag geven. Elke dag stond hij te wachten tot het vier uur s’middags was, zijn uur, het zwembad-uur, en als eerste sprong hij dan het water in om zijn grote schoonmaakwerk te beginnen. Geleidelijk aan werd hij wel rustiger en kon ook gewoon tevereden in de pool staan en aan de koordjes van zijn zwembroek frunniken maar Ntiamoah houdt van hard werk. De laatse jaren mocht hij in de werkplaats werken en reeg lange snoeren kralen voor deurgordijnen. Vondt hij dat leuk? Beter dan alleen maar staan te kijken tot het 4 uur was maar niet echt iets voor hem, die kralen. Toen begin dit jaar de autistische hal open ging mocht Ntiamoah elke dag emmers vol water naar de hal brengen om de waterbak daar opgevuld te houden. De andere kinderen, Marielle, YaaYaa, Balloon, Afia, vinden het heerlijk om met water te spelen maar Ntiamoah vindt het fijn om het zware werk te doen en emmers af en aan te sjouwen. Goed maar niet goed genoeg want hij had nog zoveel energie over als de bak allang vol was! ‘Kan hij niet ergens anders helpen? Ergens een baantje hebben, zodat hij zijn energie kan opbranden?’ vroegen vrijwilligers en verzorgers zich af. Dus werd bedacht dat hij ook elke ochtend de water tonnen in de slaapzalen met water kon opvullen. Dat scheelde, maar toch, tegen tienen zat hij weer te kijken, wie verschaft mij werk? Wat zal ik nog eens doen! Tot…. de G8 terugkwam!



De G 8, Bernard, Wilma, Nicole, Henk en Jacob, bouwen dit jaar een nieuw huisje voor een paar van onze kinderen. Fantastisch. En net zo fantastisch? Dat Ntiamoah een volle baan heeft gevonden! Hij draagt water naar de grote ton bij de bouwput en helpt zo mee het werk vlot te laten verlopen. Nu is hij tevreden! Uitgeput neemt hij zo nu en dan een pauze om met voldane ogen te kijken hoe zijn werk gewaardeerd wordt. En het wordt gewaardeerd! Jacob en Bernard doen zelfs een klein dansje voor hem!



Volhouden, Ntiamoah, blijf doorgaan G8! We hopen dat jullie volgend jaar weer kunnen komen al is het aleen maar om Ntiamoah weer werk te verschaffen als dagloner-waterdrager! Hij wacht op jullie. En bedankt.

En Paul kwam terug! Uit het niets was deze jongeman al eerder komen opdagen om bij ons een jaar lang ‘national service’ te doen, Ghana te dienen door ‘verplicht vrijwilligerswerk’ te doen. Twee weken geleden, laat op een avond, had hij zich bij Charity gemeld en de volgende dag kwam hij aanzetten, met een brief van het hoofdkwartier Nattional Service dat hij hier geplaatst was. Zo! Welkom! Maar waarom niet even een telefoontje? Een berichtje dat deze plaatsing in de pijplijn zat? Eventjes overleg? Niets daarvan, zomaar een lachende jongeman die op een mooie ochtend voor je deur staat... Nou ja daar is het Ghana voor, altijd vol verrassingen. Dezelfde dag deed het gerucht al de ronde onder de vrouwelijke verzorgsters dat deze modieuze vrolijk lachende jongen uit de hoofdstad hier een jaar gaat blijven. Wow! Echtwaar? Dus die ochtend intervieuwden we hem. ‘Paul, welke richting heb je gedaan, op school? En waarom heb je ons gekozen?’ ‘Ik heb mode- ontwerpen gestudeerd, op de hogeschool in Accra. Ik heb niet gekozen voor jullie project maar ze hebben me hier naartoe gestuurd’. ‘Echtwaar? Zomaar? En je mede studenten, waar zijn die allemaal heen?’ ‘Een paar naar Nederland, een paar naar Australie, een vriend helemaal ver in het noorden’. ‘Oh ja? En hoe vind je het hier?’ ‘Leuk, prima hier. Ik wil hier best blijven’. ‘Maar hoe dacht je ons dan te helpen als mode-ontwerper? Is dat niet meer een vak voor de grote stad? Wat kan je hier dan doen?’ ‘Oh ik heb al rondgekeken op de werkplaats, ik houdt van naaien en weven dus kan daar mee gaan doen. No problem!’ ‘Nou dat is waar. Leuk! Welkom dan, wanneer wil je beginnen?’
‘Ik ga morgen terug naar Accra om mijn spullen te halen en dan begin ik volgende week’.



‘Allright Paul, we will look forward to your stay with us’. Exit Paul. Niemand die echt dacht dat hij zou terugkomen. Te dorps hier, te ver weg van ‘where the action is’ en hoe langer hij wegbleef hoe meer we hem vergaten en het hoofdstuk national service posting gesloten werd. Maar hij maakte weer zijn opwachting! Hij verscheen weer, met een weekend-tas en een sparkelende lach. ‘Daar ben ik weer en Maandag wil ik beginnen.’ Wow, you are back!!! Interesting and exciting! Hello Paul!

En, terwijl Bob en ik onze bagage bij elkaar beginnen te leggen voor twee weken het land uit, binnekort, komt een hele stoet vierwheel drives gevolgd door een aantal trucks met baggage Nkoranza binnenrijden. De dag dat ze aan kwamen rijden was alsof de president met zijn gevolg op bezoek kwam, zei Baffo. Dure autos, dure mensen. De evangelisten, de wonderdoeners, zijn naar ons dorp gekomen. Ik had ze al eerder gezien, enorme spandoeken en borden langs de wegen tot in het kleinste gehuchtjes waar ze op aangekondigd waren. ‘Come to Evangelist Mills’,stond erop, met een massa mensen, kreupelen die weer konden lopen, rolstoelen die, nu nutteloos, die door de lucht vlogen, blinden die weer konden zien. Enorme borden, net als hun autos. En hun geldkist, denk ik. Ik had ze vergeten tot ik vanmorgen hier met een verzorgster zat te praten over ‘Reverend Mills’ in verband met haar zieke moeder. Een droevig verhaal. ‘Mijn moeder heeft alles voor ons gedaan toen we, zes kinderen, nog jong waren. Nu we uit huis zijn kan ze nog niet van haar rust genieten want ze is ziek, ernstig ziek. Ze is alle dokters en alle ziekenhuizen in het land afgeweest, niemand weet wat het is. Tot we erachter kwamen dat ze ooit eens, lang geleden, door een schoonzus vervloekt is. Intussen is die vrouw, een heks, allang dood maar wie zal die hekserij nu ongedaan kunnen maken?! Mijn vader is al zijn geld al kwijt aan dokters-rekeningen en wil niet naar de traditionalisten om de vervloeking ongedaan te maken. Hij mag niet vanwege zijn katholieke geloof. Maar weet dat Mam zal sterven als deze vloek niet gauw ongedaan gemaakt wordt. Dus brengen we moeder naar Evangelist Mills en zijn wonder doeners. Ze bidden dan over haar en drijven de boze geesten uit en zo wordt ze dan beter. Want ze zijn heel beroemd, dit team wonderdoeners. Heel sterk! Dit gaat haar gezezing worden dat geloven wij. De massa bijeenkomst is volgende woensdag.
Ik heb geen woorden, geen advies, alleen pijn in mijn maagstreek. Een dure illusie. En desillusie daarna. Mijn arme mensen.
Maar ook die valse hoop en daarna de desillusie zijn onderdeel van het Afrikaanse continent. Na desillusie gaat het leven weer gewoon door. Met berusting. En een grap. En nieuwe hoop. Altijd een grote survival kit, dat blijft de kracht van Ghana.

Helpen of geholpen worden. Op de begrafenis.
12 october 08

Gisteren gingen er grote delegatie, twee bussen, naar het begrafenisfeest van Joyce’s vader. Iedereen een handje helpen met het samen rouwen en de begrafenis een succes te maken. Joyce is een van onze oudste verzorgsters en heeft de zorg voor Emanuele, Innocencia en Philomena. (oh, die namen!) Deze kindertjes en wij allemaal hebben haar al een tijdje gemist want als oudste dochter moet ze veel voor de begrafenis regelen zowel als haar oude moeder wat troost bieden. Vader was al veel eerder gestorven maar gisteren was dan de grote gebeurtenis, de begrafenis, het nog eens massaal bij elkaar komen en het leven van de overledene gedenken. Joyce’s vader was volgens de overlijdenskaart 103 jaar geworden en haar moeder die ik gisteren in het dorpje ontmoette leek ook van eerbiedwaardige leeftijd. Een prachtig gegroefd gezicht en een stokoud ogend taai lijfje, je zou er niet aan denken om haar een steunende arm te geven, springlevend als ze was.
Ik reed in een auto waarin ook twee bezoekers meereden. Dat geeft weer een andere dimensie aan zo’n gebeurtenis, aan de ene kant meedoen, participant, aan de andere kant van buiten af bekijken en hier en daar wat uitleggen. Hoe dan ook na een rit van anderhalf uur door leem en modder kwamen we in Senya aan. Het dorp was zo piepklein dat je al vanuit de verte zag waar de begrafenis plaatsvond, over de hele dorpstraat van begin tot einde, namelijk. Met een lange slinger verzorgers gingen we de zittende mensen langs, handen schudden. Dat is het begin van elke begrafenis. Het tweede deel is een stoel aangeboden krijgen en dan begroet worden door dezelfde lange lijn van mensen die al zaten maar nu opstaan om ons op hun beurt te begroeten. Echter hier stonden wij. Ons een stoel aanbieden kon zomaar niet want er waren geen stoelen genoeg. Joyce stond erbij en gebaarde druk dat we naar haar ouderlijk huis moesten gaan, in plaats van bij de andere begrafenisgasten aan te schuiven. We stonden een beetje te aarzelen in de ene zijstraat die er was en die ‘het dorp in’ leidde, naar een groepje van tien of twintig huizen. Alles was oker-rood, de kleur van de lemen aarde. Iedereen zweette, zo heet brandde de zon om drie uur smiddags, tussen twee regenbuien in. De Nederlandse gasten waren nieuwsgierig. Wat doen we nu, waar woont ze, is dat haar moeder, ben je ooit eerder in zo’n dorp geweest, waarom gaan we naar haar huis, wie is dit, wie is dat? Goede vragen. Ik had al uitgelegd dat we bij de begrafenis zouden gaan zitten, niet veel spreken maar hand schudden en dan ‘geschud worden’, maar dat geschud worden dat klopte dus niet, nog niet. Geen stoelen genoeg legde ik uit. Was dat wel zo? Of had Joyce van het begin af aan het plannetje gekoesterd om onze delegatie in haar eigen huis te ontvangen? En te verwennen, zoals later bleek?
Want daar gingen we, in een slinger door de roodlemen straat, als klipgeiten over de erosie-geulen heen springend, naar haar huis. De stoeltjes en de bankjes kwamen uiteindelijk ook, op het hoofd aangedragen en net uit de zon voor ons neergezet, in dat kleine streepje schaduw op de binneplaats van een vierkant en verder schaduwloos huis. Dat kleine reepje schaduw waar we net met 20 mensen naast elkaar en achter elkaar in rijen in pasten tot het in de loop van de namiddag zou verbreden. Kinderen kwamen van alle kanten opdagen om ons met brede lach en schitterende ogen te staan bekijken. ‘Zijn dat kinderen van Joyce? Neefjes en nichtjes?’ ‘Weet niet, denk van wel, dat loopt zo’n beetje door elkaar’. De drums worden achter ons het binneplaatsje opgedragen. We zitten. We krijgen een krat met frisdrank aangeboden, flesjes net zo warm als de middagzon toelaat. Ik had net aan de gasten uitgelegd dat we geen consumptie zouden nemen als ons dat eventueel werd aangeboden. Om de kosten van de rouwende familie te drukken. ‘Niets drinken, handen schudden, glimlachen, mischien wat dansen en een donatie geven’.
Joyce’s oom komt in een rood kleed ons begroeten en vraagt waarom we komen. De vraag wordt doorgegeven aan mij. Ik kijk om me heen. Wie is onze leider? Wie draagt de donatie bij zich? Dat blijkt Kwaku te zijn. Hij knikt naar me, ik moet en zal het woord doen, in Twi om het extra feestelijk te maken. Ik zeg aan de oom waarom we gekomen zijn en hoera, de fantaflesjes worden als champagne opengeknalt (niet met Afrikaanse tanden, maar met een afrikaanse karateklap van van de flessedop tegen de kant van de krat aan) en aan ons allemaal uitgedeeld. Mijn advies van geen drankjes aan nemen werkt niet en iedereen geniet ervan, ik ook, ondanks dat het fanta van 39 graden celsius is. Het is echt heet namelijk en door al het klamme zweet frist dit drankje ons op. ‘Wat zeggen ze, wat zei je’, vragen de bezoekers? ‘Ik zei waarom we kwamen’. ‘Wat zei je dan?’ ‘Dat Joyce bij ons werkt en nu haar vader heeft verloren en dat we gekomen zijn om haar te helpen rouwen’. ‘Ik kan het niet echt volgen. Wie zijn al die mensen? Waar zijn de drums voor?’ ‘Niet proberen te snappen, gewoon beleven jo!’. De drummers zijn begonnen op hun drums te slaan, hard en magisch. En leuk om naar te kijken, jonge knullen in zwarte doeken die zo van binnenuit de drums bespelen. Elke soort gesprek houdt nu op want het lawaai is overdonderend. Hier komt Joyce aan, met vrouwen die op haar lijken, zussen of hoe dan ook familie. We krijgen allemaal een plastic zak met een kartonnen doosje met eten erin aangeboden. En dan nog eens twee satespiezen vlees erbij. Ik denk zodra het gedrum het toelaat vragen de bezoekers of ze dit eten dan wel of niet op zullen eten, in verband met wat ik zei van consumptie afslaan maar wel donatie geven. Vanwege een sluitende boekhouding ana het einde van de begrafenis. ‘Wat doen we met dit eten?’ “Lekker opeten, lekker van genieten. Joyce moet en zal ons verwennen denk ik’ Ik eet van mijn McDonald doosje met rijst en laat de rest naast mijn stoel achter tot het weggehaald wordt. ‘Voor de kinderen, de restjes, niks wordt hier wegggegooid’. Ik keer me om naar de rij verzorgers achter ons. Niemand, op een paar na, hebben hun doosje aangeraakt. Dat gaat straks mee naar huis om in alle rust van te genieten. ‘Waar halen ze opeens al die McDonald Doosjes vandaan’ vraagt de bezoekr vol verbazing. Ja, verbazingwekkend hoe snel de cultuur van feestjes en etentjes veranderd is in een ritueel van mcDonald doosjes in plastic zakjes uitdelen! Met de optie om die ongenuttigd mee naar huis te nemen na het feest. In de tijd dat ik nog dagelijks in de dorpen was, tussen vijfendertig en tien jaar geleden, was dat radikaal anders en wat kan zon gewoonte dan snel veranderen! Kwaku kondigt aan dat ze ‘naar de begrafenisgrond gaan’ om de donatie aan te bieden terwijl wij rustig op Joyces binneplaats blijven zitten en nog zo’n flesje frisdrank aangeboden krijgen. Luxe! Joyce Joyce wta pak je uit! Half uur later. Een rij mensen komt alchend aanlopen en schud ons de hand. Alsnog, gelukkig, er klopt nog iets van het ritueel! ‘Bedankt’ zeggen ze, ‘fijn dat je erbij was’. ‘Wat zeggen ze?’, vragen de gasten. “Bedanken ons’. We hebben laten zien dat we met Joyce en de familie meevoelen en hebben een donatie gegeven. Nu gaan we. Kwaku vraagt aan de oom of we mogen gaan, maar intussen breekt een een ruzie uit ergens tussen de mensen en de oom is even bezig, dus zweten we nog even op ons rijtje plastic stoelen in de dunne schaduwreep. Daar komt de oom, we krijgen permissie te gaan. Joyce nog eens gegroet en bedankt voor de heel speciale tractatie, de stokoude maar oerlevendige moeder nog eens gecondoleerd en daar gaan we. Ik lijk een beetje te struikelen als we via de erosiegeulen terug naar de auto moeten lopen. Een van de gasten strekt haar hand naar me uit alsof ze mijn arm even wil ondersteunen. Ik voel het en weer het ongemerkt af, beduusd door haar gebaar. Zo oud ben ik toch niet? Ik, de klipgeit, die bij wijze van spreken op blote voeten over het afrikaanse continent liep. Ik schud het af. We kruipen de autos in en rijden. Gezellig samen en iedereen is blij dat we dit gedaan hebben vandaag, Joyce hebben geholpen met rouwen. Uit de bus die voor ons rijdt vliegen lege McDonald doosjes, iemand die zijn eten mee naar huis wou nemen maar toch teveel trek kreeg onderweg! En dan thuiskomen, kinderen, Bob met uitgestrekte armen, welkom!
‘Hoe oud denkt ze verdorie wel niet dat ik ben’ zeg ik echter verbaasd tegen Bob als we later alleen in ons binnentuintje zitten. ‘En zo’n prachtig oud afrikaans mens van twee maal mijn leeftijd, die roept geen helpende handen op, waarom ik wel?’
Bob is 14 jaar ouder dan ik. ‘Bob, dit is de eerste keer dat iemand mijn arm wilde ondersteunen omdat ik oud lijk. Vreselijk! Weet jij nog wanneer iemand voor het eerst je arm pakte omdat je oud leek? En hoe dat voelde?’ Bob kijkt me aan. ‘Weet niet’, zegt hij met een twinkel, ‘Maar ik vond het wel prettig! Dat herinne rik me wel. Vindt het nog steeds prettig. Dat is het verschil tussen jou en mij, oude onafhankelijke klipgeit van me!’
Nou, dat was gisteren. Een goede dag, van alle kanten.

Gewijde vieringen
5 october 2008

Tussen Maandag, met de viering van het Joodse Nieuwjaars feest, en gisteren, met de doop van vijftien van onze kinderen, hebben we ons deel aan mystieke gebeurtenissen en heilige vieringen meer dan ruim gehad. Het was onze unieke ‘heilige week’ zoals die alleen in PCC-Nkoranza-Ghana kan plaatsvinden, ontroerend en schilderachtig, orthodox en geimproviseerd. Nergens anders dan bij ons kan zoiets moois schijnbaar spontaan gebeuren en zonder mensen als Osei, Fr. Andy, Bob, Ineke, de verzorgers en onze prachtige kinderen zou het allemaal niks geworden zijn.

Maandag vierden we La Shana Tova en hielpen Bob het 5769ste jaar van de Joodse kalender ingaan. Dit jaarlijks ritueel, dat altijd door Bob wordt geleid, is een vast stramien geworden van het weefsel van onze gemeenschap. Als altijd heeft de ‘verwondering’ een vaste begeleider, de ‘verrassing’. De verwondering kwam voort uit geinspireerde lezingen en gebeden en van al het moois op en rondom de tafel, kaarsen en kindergezichten.
De verrasing was een regenvrije dag na bijna twee maanden constante regen in Ghana. En een spontaan feestje na het plechtige gedeelte, waar we aan een lange tafel onder de maan konden genieten van een glas wijn. S’avonds buiten praten en lachen rondom een gezellige tafel is niet iets wat we elke dag doen en was een mooie manier om de viering te sluiten en het nieuwe jaar in te wijden.



Dat was maandagavond de 29ste September.



Tussen dinsdag en zaterdagmorgen de 4de Oktober hadden Ema en Joyce hun handen vol met de laatste voorbereidingen voor het doopfeest van een aantal van onze kinderen. Voor ze ons verlieten hebben twee vrijwilligers, Barbara en Stephan, nog nieuwe witte gewaden genaaid voor de uitverkoren kinderen, zodat ze er echt prachtig uitzagen.



Het doopfeest vond plaats in onze openlucht rotskerk, van nature al een plek waar geen kathedraal mee te vergelijken is. Alweer hield de regen even op en de sfeer was schitterend.
Mabel, Kojo Owusu, Moses, Emanuel, Joshua, Emanuelle, Kwaku, Kojo Charm, Theresa, Ahmed, Regina, Steve, Kojo Joseph en Kwabena werden ‘gedoopt in onze familie’ (zoals Pastoor Andy het zo heel treffend uitdrukte). Dat was de wonderlijke pracht van het geheel. De verrassing was dat en van onze kinderen, Aaron, was overgeslagen! Zomaar vergeten! God zei dank kreeg niemand gelijk de schuld van deze nalatigheid. Behalve Ineke dan, maar die is eraan gewend, en verder draagt een committee de schuld van deze vergeetachtigheid. Maar dat comitee had zoveel leden dat de schuld nog van de een op de ander kan worden afgeschoven tot het vuur van de verontwaardiging is gedoofd en het feit verder vegeten...
En we hebben een reden voor nog eens een geweide viering in de nabije toekomst. Vieringen doen ons goed, dus eind goed al goed.



(See more pictures by clicking on the ‘slideshow link’ on the home page)

Amma houdt zich aan de Sabbath

21 Sept 08

Onze kleine Amma is van alles ‘te’. Te klein, te parmantig, te snoezelig, te zachtaardig, te Joods! Vroeg in de ochtend, nog voor de zon op gaat, staat Amma al stilletjes voor onze deur te wachten, tot het moment dat we de sleutel omdraaien en de deur openen en ze naar binnen kan. Ze is een centraal onderdeel van een uitgebreid ochtendritueel waar Bob de ochtendkoffie zet om me wakker te maken, waar de honden over elkaar heenvallen in stille blijdschap dat ze na een lange donkere nacht elkaar weer terugvinden en waar Amma in past door stilletjes op de bank te kruipen, vlak naast Bob en mij en meestal nog een hond of twee. Als de honden Amma zien aankomen dimmen ze hun gedrag een beetje en passen zich aan Amma’s energie aan. Ze klimmen naast haar op de bank en willen net zo graag snoezelen als gesnoezeld worden.
Zo gaat al gauw meer dan een uur voorbij. Wat mij betreft is dat het beste uur van de dag. Dan, als het tegen zevenen loopt, begint Amma zich uit haar sluimer te ontworstelen, ze glijdt uit de schoot van de hond, of Bob of mij, staat op en strekt zich uit. Nu is ze vol verlangen naar...muziek! We kennen het hele ritueel van begin tot hopelijk ecstatische einde, maar alleen op zaterdags eindigt het ritueel meestal in ecstase!
Amma komt van de bank af, begint opgewonden naar Bob te wijzen met een uitgestrekte arm en geeft ongeduldige gilletjes. Ze beveelt hem. Laat me niet wachten, speel die muziek. Nu. Nu, graag!! Amma weet dat Bob in dit huis s’ochtends vroeg voor de muziek zorgt, zoals hij s’ochtends eigenlijk overal voor zorgt. Ze wijst naar Bob, naar de rij met DVD boxen, weer naar Bob. Amma is klaar voor haar muziek en ze wil het nu!
Elke ochtend vind Bob een muziek-DVD voor Amma, iets dat haar aanspreekt, muziek die ze kan zien zowel als horen. Amma moet haast wel een reincarnatie zijn van een dirigent of muzikant, of allebei. Ze is niet tevreden tenzij ze de dirigent bezig ziet op de muziek-dvd.
Zondags, mijn heilige dag, is dat vaak Pergolesi’s Stabat Mater en Amma co-dirigeert dan druk samen met een Italiaanse dirigent. Op Maandag kan het een opus van Tchaikovsky zijn dat haar aanspreekt en Woensdags zijn het mischien de liederen van Schubert die op de vroege ochtend door het huis klinken. Al die muziek ontvangt Amma dankbaar en dirigeert ze met plechtige hartstsocht. Maar Zaterdags! Zaterdag is Bob’s Sabbath dag en Amma weet dat. Bob begint de ochtend met gezang van Richard Tucker, een tenor uit de veertiger jaren, en speelt vervolgens zijn hele repertoire Joodse gewijde muziek af. Maar waar iedereen opgewonden van wordt, wat Bob opwindt en mij ook, wat Amma echt opwindt is Richard Tucker. Ze gaat overboord. Ze buigt als een knipmes op en neer als een oude orthodoxe jodin in gebed. Ze gilt wild als een ouderwetse Beatles-fan, ze danst, zwaait met haar dirigenten arm, maakt grote luipaard sprongen door ons huis, marcheert, schreeuwt, is zo in ecstase dat ze er soms bij neervalt. Amma, het ‘zaterdag-meisje, de Joodse Amma! Het is een feest voor het oog en voor het hart, het is een verborgen vreugde op de vroege ochtend, een schat waarvan alleen wijzelf kunnen genieten. Maar mischien kunt U Amma een beetje meevoelen na dit gelezen te hebben. De wedergeboorte van een dirigent? Of een muzikant? Waarschijnlijker nog de wedergeboorte van een hassidische jood. In elke geval een engel, dat beslist!


Bevreemding en Ema de Betaalmeester.
14 sept 08

Nog een keertje, ter afsluiting van deze dip-periode, iets tragisch- grappigs beschrijven, en dan over naar de orde van de dag, namelijk Ema de Betaalmeester.
Bob en ik keken gisterenavond naar een film die we echt al heel vaak gezien hebben maar een van onze favorieten blijft. “About Schmidt’. Meneer Schmidt, die bij de verzekering werkt, wordt 65 en gaat met pensioen. Je ziet zijn laatste werkdag, het opgeruimde bureau en de nieuwe kampeerauto die zijn vrouw op het gagarepad heeft gereden, gekocht om de pensionering meer inhoud te geven. Schmidt speelt een beetje de opgefokte voorpret van een nieuwe levensfase mee, een beetje maar want het lukt hem niet echt.
Een scene uit de film. Het is nacht en Schmidt en zijn vrouw liggen in het grote echtelijk bed. Schmidt staart in het schemerdonker naar het silhoet van de vrouw naast hem. ‘Wie is dat? Degene met wie ik meer dan 40 jaar getrouwd ben, wie is dat? En waarom staat alles in haar me tegen? Zelfs zo iets kleins als de manier waarop ze de autosleutels uit haar tas haalt lang voor we bij de auto zijn aangekomen..?’
Komt het doordat ik straks 65 wordt? Omdat ik nog maar deeltijd in het ziekenhuis werk? Het plaatje van mezelf, wakker wordend in een vreemd land, en mezelf afvragend: ‘Wat is dit?’ maakt me lacherig, lacherig en ook akelig van bevreemding. Net zoals Meneer Schmidt wordt ik wakker met een wat vertraagde Alice in Wonderland reactie. Bevreemd. Vreemd. Vreemdeling. Thuis. Sleutelwoorden die me zo weer aan het janken krijgen. Ik die altijd zo resoluut was, zo heel erg op mijn plek. ‘Waar ben ik?’, vraag ik mezelf af, al wakker wordend. Het positieve maar komische in deze levensfase van Meneer Schmidt en mij? Het wakker zijn en alles eens goed kunnen bekijken. Het tragische? Hmm, niets. De menselijke situatie. Een hoop drukte en een hoop infatuatie. En als die wegvallen? Niets. Een lach en een traan.
En nu over Ema de betaalmeester.
Ema is al langer dan een jaar terug van een cursus en is sindsdien de overall coordinator van de PCC Hand in Hand gemeenschap. Ik ben al sinds jaren bezig te overhandigen wat er te overhandigen valt. Zo ligt dus de dagelijkse leiding van de gemeenschap op zijn schouders en zo heeft hij voor het eerst nu ook..... de salarissen betaalt.

Big deal? Ja dat is een big deal! Dit jaar is Bob begonnen met Ema volgens de begroting maandelijks een som geld te geven, voor bepaalde posten zoals voeding, persoonlijke benodigdheden, onderhoud. En sinds eind Augustus ook voor het eerst de salarissen. Dus alle grote betaal-posten worden nu door Ema uitgevoerd. Met de salarissen liggen de bedragen natuurlijk vast, maar met de andere posten heeft Ema zelf de vrijheid om te besluiten hoe het geld uit te geven. Aan yam of aan mais, aan vis of aan vlees, aan zeep of aan luiers. Hier een nieuw peertje in een lamp en daar een nieuwe lik verf betekent ergens anders even geen nieuwe keukentafel. Het gaat Ema zo goed af dat Bob hem eind vorige maand ook de maandgelden heeft laten betalen. Dit is een post waarbij je laat zien wie er de baas is. En ja de verzorgers mogen ook op deze manier weten dat Ema hun coordinator is. Hij geef je je maandgeld en vraag je hoe de maand voor je was en vertelt je wat er goed is gegaan en wat niet zo goed.



Wat het kantoortje van Bob was en is is nu ook het kantoortje van Ema geworden. (En nu ik toch bezig ben, volgende week schrijf ik over het nieuwe kantoor van Baffo.)
Woeps, gaat het tweede stuk van mijn relaas toch weer over nieuwe levensfases? Jawel!

She is ill, she is quiet, she is crying

7 Sept 08

(deze keer in het engels)

All week I have been following Baffo’s ‘Be Happy, Maame’ admonitions with only moderate success. In the meantime I have for sure learned (or better relearned again) a lot from ‘not being happy’. I should have remembered that there is no legitimate state of ‘being unhappy’ in Ghana except for three reasons.
When I look unhappy most frequently I am ill. This explains why people can look so completely down and out with a slight fever or the mildest common cold. There are few other expressions for unhappiness other than being ill. So I must get the most out of it for people to console me.
When I am not sick and still also not happy I am called ‘quiet’.
Maame is quiet, Maame has been quiet this whole week. What would be wrong with us? Did/do we do anything wrong to make her so quiet? Let’s try harder to greet her well and look after our children well and cook our food well so that Maame will stop being so quiet. True, last week I was trying to work with feedback from Europe that our necklaces were not done well. Too tight, too long, too short, no symmetry, etc. So being quiet is a good time to solve problems. For everyone is ‘at attention’, ‘what did we do wrong’, ‘how can we do better’.
‘Well, better not do the necklaces so tight that they look like beads stuck on an electrical wire. It does not sell and we get a bad name.’
That was the time to tackle problems like that, last week while I was quiet!
Finally when the quietness does not stop and especially if one sees tears rolling over someone’s cheeks it is the ultimate diagnosis. ‘Oh! She is crying’. ‘O su ( literally: she waters). ‘She cries’. Crying without illness or problems in the house is seen as merely a weakness, nothing serious. So all the community is relieved that it is not ‘them’ that mother is worried about, their performance or whatever, and they come one by one into the house, where you are sitting trying to swallow your tears.
‘Maame, don’t cry, be happy.’ ‘Maame crying is not good, makes you sick.’ ‘Maame, we are soooo worried, yesterday I was soooo worried because you did not eat my soup. I thought you do not like me because you reject my soup so you reject me. Today you cry and Maame, you know what? Don’t cry! It is not me you cry about, it is not illness you cry about so don’t cry, there is nothing to cry about1’ ‘You will make yourself sick.’ ‘Your eyes will pop out of your head, Maame. Stop. Tears will turn into the body and make sickness!’

Last Saturday I had a day that would befit Queen Beatrix of the Netherlands on her birthday. There was a procession of Caregivers with their Children, one by one coming to me, shaking my one hand, holding my another hand, looking at me the way you look at a child with a sore toe. Compassion, a twinkle, laughter and relief.
‘Maame, stop’. Bright is good at it. He looks you straight in the eye, kisses you fully and wetly on the lips, and says ‘Maame, no. Stop that!’
Okay, I stopped, that did it! Not only the amazement of more then 60 persons, pushing simultaneously through our swing-doors, flocking all around me, holding me, admonishing me, laughing out loud at me and making generally a party out of it, but Bright’s clear command.
I stopped. If I am unhappy it is my own fault and I don’t try hard enough. Okay, point well taken.

And I have to use that argument more often in the future when my caregivers look burdened and unhappy. ‘Come on, Agnes, just be happy. Be happy! Good girl!’ I should not have forgotten that people have a custom of doing that in Ghana, and that anyway the outcome depends not on your words but on the amount of caring behind it! That saves time and counseling skills!
I would usually ask what’s wrong, why do you walk with your head down, are you unhappy? What makes you so unhappy?” …to get after long waiting spells answers like these: ‘Bodily pains’ or ‘no money in the pocket’.
Okay. So that with medicine against ill health and the promise of a salary at the end of the month everybody can be happy again. I will in future go around and shout ‘Be happy’, just like Baffo and all our people did for me.
(Unless I may suspect there is a real depression at work. For I know and should have remembered from my days working in mental health that depressive disease is not considered as a disease. It is considered as a moral failure, a weakness. There I should not accommodate but put up a fight to help enlighten my people and broaden the specter of diseases to include emotional diseases.)

The sequels of what happened next on this Sunday morning leaves me embarrassed however!
Embarrassed with how I began this story, rather flippantly, about sadness in Ghana life.
I sit here typing into the laptop, laptop true to its name balancing on my lap, when A., one of the workers of the hospital, comes to visit. An old friend who I know for over 20 years.
I will repeat exactly what he said and then sign out.
But not after saying that I have not understood much about the depth of suffering that life here and everywhere can cause and that we really maybe after all face the tune in the same way, some more emotional, another more cerebral, with emotions swallowed away.
A. comes, sits down with me. I close the laptop. A glass of coke? Yes. How are you? What’s going on in your life?
Good, all is well. But I want to tell you about all my problems.
Yes tell me.
You know I have a young baby, since 5 months?
Yes.
Well that makes 4 children. The oldest is a soldier in Accra, the second a tailor, the third is the girl who has an open leg, you met her, and now the youngest, 18 years later.
Yes? Is there something wrong with your new baby?
No. With the mother, my wife. She had to undergo the test, the way they do now in Ghana. It was positive. Then they tested me, I was negative. That was at the end of last year. They tested me again this July, I was still negative. My wife is positive. What is worse is she gets lean and is wasting away. Cannot eat, coughs, all kind of treatment, included retroviral treatment but getting very thin and ill. The baby is okay.
God! I’m sorry for you. My God. I did not know this.
No doctor you did not know this, because I did not tell you. Now I am telling you for I need help. I want to keep helping my wife for she is my wife and the mother of my children and she has no-one else. Do I sleep with her? No. Not only that, but trust has broken. Do I care for her? Yes. She was a hairdresser but now she cannot work. I go there every week or two with milk-powder, lactogen, meat, flour, eggs, bread, all that I can get. Sometimes I feel like stealing but don’t know from whom to steal. I swear I would like to do something to myself so as to do away with my life but I lack the courage. And I can’t for I have a wife and four children. That’s what I wanted to tell you. But I am fine. No, you don’t see me look sad. I will be fine.

So- point taken about myself? Somewhat flippant and self indulgent? Or even if I were not, how does my state compare with that of the poverty of my people? Ah. Do I want to start crying again? Now for A.? But how shall I explain this to the 21 caregivers and over 60 children? And if I do not explain it? Well, they will all flock into our house again and push the doors out of their hinges and fill our room laugther and hushes of compassion, no, not again.
Close the doors, you need to be alone. Alone, with Bob.
Bob who yesterday night recited me some lines of a poem by Walt Whitman:

‘…
You will hardly know who I am or what I mean,
But I shall be good health to you nevertheless,
And filter and fibre your blood.

Failing to fetch me at first keep encouraged,
Missing me one place search another
I stop somewhere waiting for you.’

Tonight, alone, we may, or may not, read Beckett’s Waiting for Godot’ together. Just to get things in yet another perspective.

Maame, be happy!
29-8-08

(deze keer in het engels)

Frustrations in me were building up to such a level that this morning I allowed them to overflow in the safe presence of, of all people, Mr. Baffo. Mr. Baffo who speaks very little and likes to summarize the state of the PCC, Ghana politics or the world in three words at most. ‘Not so good’, ‘Could be better’ or ‘That is okay’. Mr. Baffo who gets acutely uncomfortable with the slightest displays of emotions.
He was sitting at the restaurant, books and papers spread all around him on the table, trying to balance his August statements, and I was on the way to the hospital, when I changed my course and instead fell down on the chair beside him.
‘I’m not happy!’
‘Oh Maame why?’
‘Don’t know why. One thing after the other after the other after the other. Little things but all the time. Just not happy, very frustrated, very unhappy, not sure what to do. I’m angry. Frustrated. Want to go home, wish I could go home right now. Just to be out of here. Just for a while.’
‘Oh Maame, why?’ ‘This is your home, Maame, don’t talk like that. Why?’
‘All kind of things. All the time. You included!’
‘Me? Maame why?’
‘You. Too often you act like a lawyer to our staff. I wish I could be their lawyer more often. Instead it looks like almost all the difficult confrontations are for me to do. I get tired of it. I feel lonely. Hate to make it my job to confront people, hate it!’
‘When did I act as the lawyer to whom, Maame?’
‘Oh like with Angela, that time. Janet that other time.’ Baffo rebuked me and explained to me what happened instead, to his own perceptions. So I said to him ‘Sorry, then I am wrong, there! But still, I feel unhappy. So… maybe you feel unhappy too? Do you find it as hard as I to be a leader?’
‘No, Maame, not so hard. Be happy, Maame!”
‘Hate to go round and hope to see good things yet more likely meet all these faulty things instead. Then to decide all the time, ignore them or tackle them. Which means to expose them, to discuss them. Oh at times like now I could shoot this whole community. Could shoot all the caregivers. They seem like a bunch of twelve year olds, all of them.’
‘Twelve year olds, why Maame?’
‘Solidarity is good, false solidarity is false, is what 12 year olds do. Keeping secrets from their parents, swearing allegiance to their teenage loyalties instead. That’s what I mean. The caregivers do that, covering up for each other when secretly they go out, lock their kids, have their girlfriends over at night, whatever. You know it. We have lost a child because of that. Even that I had to find out by chance, while all of you knew it. The child who died while some were out and others covered up the case. You know it Baffo, it happens all the time, it’s teenager stuff but with our kids at risk it is dangerous.’
Oh Maame, no, be happy Maame!’
‘Leaders like I are in solidarity with the care for the child. Not with the desires of the staff when those oppose the care of the child. I hate it but what else can I do? Do you think I would not want to pamper Mercy, and Charity, and Janet, and Patrick and Gifty and Joyce and Lydia and Christie and Jerry and blablabla?’ But if they do wrong how could I pamper them? Then I need to discipline them. Right?’
‘Right, Maame. Be happy Maame’
‘If you say right, why then am I all alone doing this, the difficult conversations, the disciplining? Affirming, praising, oh how easy, how nice! Makes you feel good, makes you popular. Don’t you think that I too want to be popular? But how should I praise and embrace if a caregiver has just … Ah well. What should I do?’
‘Oh Maame, Yes. But cheer up. I will help you. We will all shape up. You will see, in a week everybody will be on course again. Just watch me, Maame. Maame, be happy!’
‘Hmm, thanks Baffo, but I would really want to go home. Get out of here. Just for a while. And it is the same at the hospital no, worse! Far worse! Shall I tell you what happened yesterday evening, at evening rounds? You want to know? And it amounts to nothing, it is a small thing, that! I come there at 5 pm, a bunch of boys and girls in uniforms or semi uniforms hanging out around the nurses desk. The TV blasts out loud, assisted by two or three radios, all off key of course. One nurse is talking into his cell-phone and looks at me upset. I am disturbing his conversation. A female nurse balances on a bench, her upper half doubled over the nurses desk asleep, her lower end, her behind sticking outrageously far into the corridor! Blocks my way. ‘Hello’ I say. Those that are not asleep or on the phone look. ‘Who is in charge?’ I ask. They look and then start laughing. Is it funny? ‘You do not have one in charge?’ ‘The one in charge just walked away’. ‘Ah, okay, who is the next in charge?’ The nurses, the mass of intertwined laziness, disentangles as they look at one another, giggling. Me? You? You? No, we two! ‘Doctor Bosman, we , we are the oldest!’. ‘Ah okay. Then you two, show me the new admissions and the severe problems please’. ‘Problems?’ ‘Yes problems’. ‘We have no problems’. ‘Aha no problems, good. Then show me the surgeries for tomorrow’. ‘They have gone out’. ‘Okay then show me their bed and their files’. The twosome gets on their feet and starts rummaging through a box with folders. After twenty minutes they recover two files. A discussion between the twosome that is together in charge. No not him, this one, him, this. No, this one. No! Yes! Then they both lift up their heads and smile at me. ‘We have found them doc. There is their bed, over there!’ they point. “Show me, bring me there’ I will follow you’ I say. But they delay, I hear them talk to one another about the advantages of Onetouch over the MTN, mobile calling with vodaphone or orange…’Come on, on the double’ I want to say but suppress it. “How about it?’.
‘Oh yes, Doc! Here, this bed’. Now they stand beside the bed.
The comedy of errors is to be taken for what it is, a comedy, a sit-com show, and I decide to swallow my frustration and act as if this disarray is completely non-offensive.
‘Have you heard of bedside manners?’ ‘Do they teach you those, where you went to school?’ ‘No Doc.’ ‘Ah, Okay. I am going to show you. I will role-play the role of the nurse in charge and what he does when the doctor comes for rounds, okay? Watch me…’

‘Baffo, this is what has come of the nurses attitude in the hospital. Have you not noticed? When you go there? Is one of my pains.’
‘Maame, you should go to the matron or to the administrator, and complain’.
‘Baffo, I’m done complaining, I am the greatest complainer as it is, and really that is not about manners, that is for example about withholding medicines to life threatening snakebites or infections or what have you when patients cannot pay. I holler more then enough about these issues alone!
‘Oh. But Maame, be happy. It is good you tell them! Do not be discouraged Maame.’
This is your home, Maame, you have no other, this is where you like it. This is where people like you. Remember, Maame?’ ‘Cheer up, be happy, Maame’

I do not know how many times he said ‘be happy, be happy’, it became like a mantra of a meditation exercise. And…. like a strange but well meant meditation exercise he is getting me ‘right’ again! Baffo touches me and starts to help ease my pent up frustrations. That’s Baffo. A person like Baffo can decide to just cheer up and then indeed he cheers up! I, I thought it really did not work for me that way.
But now that I write this an hour later…. now that I think again….haven’t I cheered up?
Baffo has showed his care, he has listened. He has said ‘be happy’. He is like a sorcerer, this Baffo. Because now, an hour later, I am somewhat happy again!
Maame is happy and at home!
Or is it because I wrote about it? Whatever it takes, maybe the two together, Baffo and a pen.

Als je glimlacht
20-8-08

‘When you are smiling… the whole world smiles with you’.



De eerste regel van een oud liedje dat Lisa op het lijf geschreven is. Dit achtjarige meisje, dat al vier jaar geleden bij ons kwam, heeft twee ogen en een mond die kunnen uitbreken in de liefste mooiste glimlach die ik ooit bij iemand heb gezien. Haar lijfje is slap en licht want Lisa is vanaf de hals verlamd. Lisa spreekt niet en lijkt de betekenis van woorden niet te begrijpen. Maar absoluut zeker begrijpt ze wat warmte, tederheid, voedsel en lachen betekenen. Ze reageert daraop als het kwik in een thermometer!
Ik ken verzorgers en vrijwilligers die als het ware in de rij staan om haar glimlach van dichtbij te mogen zien. Emanuel is een meester in het te voorschijn toveren van haar lach en Felicia is een goede leerling van Ema. Je kan zien hoe mensen soms even naar haar toe komen om haar naam te zeggen, haar op te lichten of haar eten te geven, vanwege de beloning, een dosis helende glimlach! Jawel, helend. Ik weet zelf dat ik op een somber moment soms naar een glimpje van haar glimlach zoek en me dan gelijk een stukje beter voel. Ik feite zoek ik haar glimlach nu ook vaak op zonnige dagen op. Lisa’s glimlach is totaal onschuldig, heeft geen enkele bijbedoeling van wat voor aard dan ook. Haar lach is zo natuurlijk als de zon en net zo puur als de reflectie van licht op stil water.

We hebben alle soorten glimlachjes in huis!
Alice’s glimlach hongert naar je en Amma roept bescherming in je op, zowel als tederheid.

Philomena geeft je de giegels en de slappe lach teriwjl PaaYaw je vooledig charmeert.



Mabel’s glimlach maakt je licht. Die van Pakor is zeldzaam en ongrijpbaar als een vallende ster.



Steve’s glimlach nodigt je uit en Marielle, ja Marielle is heel erg diep naar binnen gekeert. .

Kleine Ema? Ema komt dichtbij lisa’s lach.



Maar Lisa? Lisa heft geen agenda. Ze wil alleen maar met me zijn. En glimlachen. Een kleine God onder de mensen.

When you are smiling, achtjarige-lisa-die-verder-niets-anders-kan, when you are smiling, the whole world smiles with you. ….when you are laughing, keep right on laughing...

Vrijwillige affaires.
10 aug 08

Buitenlandse vrijwilligers in Ghana zijn meest jonge mensen die geweldig graag willen helpen maar soms niet echt zoveel kunnen doen. Waarom?
Door de tijdslimiet van hulp die ze zichzelf stellen (ik kom drie weken, drie maanden, een tijdje).
Door verkeerde of soms ronduit valse voorlichting vanuit Ghana (‘We hebben vrijwilligers nodig om te helpen les geven’. Komen de vrijwilligers. Is het grote vakantie en is er dus geen school!)
En bijvoorbeeld door het oneigenlijk ‘gebruiken’ van de vrijwilliger. (Internet posting: ‘Vrijwilligers gevraagd om kinderen in een weeshuis te verzorgen’. Dan kom je en blijkt er zelfs geen geld te zijn om de kinderen eten te geven. Wat doe je dan? Tja wat doe je, boos maar toch maar uit eigen zak ook nog eens eten gaan betalen. Zoiets.)
Maar de grootste uitdaging zal het cultuurverschil zijn. Moeilijk te overbruggen als het om houding in de zorg gaat, of onderlinge werkverhoudingen, of bijvoorbeeld het praten over gevoelens en ideen.

In een andere cultuur leven schept de mogelijkheid voor een nieuw perspectief voor jezelf en voor je wereldbeeld. Maar genereert natuurlijk ook een hoop eenzaamheid. Je wordt immers helemaal op jezelf teruggeworpen. En je eigen houding in het leven die je voor de hand vond liggen moet je hier uitleggen. Met de grote kans niet begrepen te worden. Zelfs uitgelachen te worden. Als je over je diepste gevoel praat (‘Ik voel me verdrietig’) dan krijg je tien tegen een een suggestie terug ( ‘Dan moet je echt harder proberen opgewekt te zijn.’) in plaats van de verwachte uitwisseling van gevoelens. Medeleven wordt hier dus anders uitgedrukt. En gevoelens die ‘negatief’ zijn worden onderdrukt of weggerationaliseerd. Nou dan houdt de onderlinge uitwisseling gauw op, op die manier althans!

Is het een wonder dat vrijwilligers graag onderling met elkaar praten over ‘de andere cultuur’. De onze en de andere. Oh die eeuwige vragen. ‘Wie ben ik?’ ‘Wie zijn zij?’ ‘Waarom gaat die communicatie toch zo moeizaam?’ ‘Wat is dat met dit land?’ ‘Wat is dat met mijn eigen land?’

Je geeft het als vrijwilliger niet op, je probeert op een andere manier om je mooie vreemse collega uit dat vreemde mooie land te leren kennen. Samen werken, samen lachen, samen eten, samen zijn. Als we geen gevoelens kunnen bespreken, laten we elkaar dan anders raken, aanraken, elkaars haar doen, huid aanraken, ogen lezen, grappen maken. Wat flirten. Hoe anders. Want je wilt toch ook niet straks weer thuiskomen met het verhaal dat je de ander hier niet begrepen hebt, niemand echt heb leren kennen?

Is er iemand verbaasd dat de interculturele (kalver-) liefde in Ghana hoogtij viert?
‘Ik ben verliefd en hij is zo mooi, zo zuiver en zo gevoelig, ook.’ Daar komt dan ook een ingehouden juich-stemming bij, de cultuur barriere is lijkt immers op deze manier doorbroken te zijn!

Het gebeurd heel vaak dat buitenlandse meisjes verliefd worden op een Ghanese jongen, mischien omdat er relatief zoveel meer vrouwen vrijwiiligerswerk in Ghana doen dan mannen. Een verhouding, je denkt dat is het einde! Nu ken ik ‘hem’ en door ‘hem’ ken ik ‘ze’, het volk. Je ervaart tijdens dat verliefd zijn, (als je dat bent), dat de verschillen niet zo belangrijk zijn zolang je maar samen bent en je je verliefdheid kan vieren. Dat is eigen aan verliefdheid, een geweldige magische ervaring die een maakt. Als je verliefd ben woon je even in de hemel, toch! Maar daarna begint ’t pas.. De interculturele barriere is niet een twee drie opgelost door een flirtparty of een tedere kalverliefde.

Soms bloeit zo’n relatie uit tot een prachtig verhaal van liefde die duurt, ondanks (of juist door) de zo geheel andere culturen waar de twee partners van vandaan komen. Vaker loopt de affaire uit op een mislukkig. Pijnlijk voor het meisje dat een ervaring wijzer is en zo dadelijk het vliegtuig terugneemt naar haar geboorteland. Maar smachtelijk vooral voor de Ghanees die te horen krijgt dat het ‘toch niet echt werkt’. Hij kan geen vliegtuig nemen, hij gaat gewoon weer terug naar zijn kleine gemeenschapje en de mannen zullen wel vragen. ‘Waar is je obruni meisje?’ ‘Is het uit?’ ‘Wat stom van je, hoe kon je haar nou verliezen? Waarom??’ Ja waarom. Vaak weet hij dat wel, vaak weet hij dat ook niet, krijgt hij t te horen via een emailtje, later, soms via de telefoon, soms helemaal niet, dan mag hij naar de afgang raden.

In Tamale, waar grote groepen buitenlandse vrijwilligers komen, is er al een hele sub-cultuur ontstaan rondom het verschijnsel ‘vrouwelijke vrijwilliger’. Niet iets gezelligs en niet iets om trots op te zijn, nog van de Ghanese, nog van de westerse kant. De vrijwilligers, meest meiden, hebben een aantal cafes waar ze s’avonds samen bij elkaar zitten. Een bepaald soort Ghanese jongen word naar deze bekende kroegen toegetrokken als een bij naar de honing. Vaak zijn dat Ghaneze mannen die al een verhouding met een blanke hebben gehad. Ze coachen ander Ghaneze knullen hoe dat aan te leggen, hoe de nieuwe meiden voor zich te winnen. Er zitten een paar old-timers bij die bekend zijn, ook bij de oud-vrijwilligers. ‘Zeg, je gaat het toch niet met dat joch aanleggen? Die is echt alleen op wit vlees en een ticket naar Europa uit. Dat weet je toch! Truus, Lucie, Hanna, Maggy, June, dat mannetje heeft er al vijf uitgekleed, letterlijk, maar ook van geld en verder vertrouwen in het Ghaneze mannenvolk.’ Toch lukt het blijkbaar steeds weer, vooral bij de nieuwst aangekomen vrijwilligers, om ze aan de haak te slaan. “You want to be my friend?” “Eh, well, maybe, why not!’ Elke keer opnieuw is het weer de eerste keer voor zo’n westers meisje en elke keer opnieuw denken ze weer dat ze de uitzondereing op de regel zijn.
Dat is Tamale, het verschijnlijk is jammerlijk bekend.

Nu wordt er hier bij ons op de Hand in Hand Community ook het een en ander uitgevreten. We zijn kleiner en we hebben meer te doen, maar toch, de vrouwlijke vrijwilligers worden zo nu en dan verliefd. Hebben een affaire met een van onze caregivers. Buiten onze kleine gemeenschap, in Nkoranza town dus, kan men zelf besluiten hoe te leven, maar bij ons op het terrein worden verhoudingen tussen vrijwilligers en verzorgende staf ontmoedigd. Zo kan er absoluut niet in een van de huisjes, zeker niet in aanwezigheid van de kinderen, een nummertje gevreen worden. De verzorgers mogen dat niet en weten dat vanaf het moment dat ze bij ons solliciteren. Natuurlijk mogen ze buiten de muren zien wie ze willen maar als ze dienst hebben mag dat niet. Tja wat er echt gebeurd wil je niet altijd weten! Maar wat er gebeurd tussen vrijwilligers en caregivers willen we wel weten, het is destabiliserender en belangrijk om straks de slachtoffers extra aandacht te geven. Ook al zullen ze dat michien niet weten.
‘Die verzorger loopt zo soepig te kijken, zou hij ziek zijn? (Nee, heeft hele nacht liggen rommelen met een meid). ‘Die vrijwilligster met die vage blik in de verte, zou ze droef zijn? Heimwee hebben?’ (Hmm, mischien heinwee naar nog zo’n nachlijk bezoek in donker Afrika!)

Onze kinderen staan in het centrum, ze zijn kwetsbaar en ze moeten beschermd worden. Ook onze verzorgers zijn kwetsbaar, ik voel me in elk geval als hun moeder.
Tuurlijk zijn de meeste vrijwilligers gewoon helemaal gaaf en perfect. Maar juist die paar verloren kinderen eronder, en die paar ‘hardballen’, daar gaat het even om. Zo’n westerse hardball kan straks dan in Zweden of Zwitserland of waar ze dan ook thuiskomt zeggen: ‘Afrika, nou, duister, ook onbetrouwbaar. Wel hartelijk, dat wel. Oh en die vakantie liefde? Nou ja jo, dat was t natuurlijk niet, allicht niet!’ Amen.

Hier kan niemand weg, hier blijft alleen de hoop bestaan, ondanks alles, om nog eens weg te mogen, naar Nederland, naar Duitsland, naar Denemarken, naar Amerika. Wie zal ze daarbij helpen? Niet die kalverliefde van vorig jaar maar mischien een nieuwe, een ‘betere’ die komen gaat??
Het is nog niet gebeurd maar voor je het weet veranderen onze verzorgers geleidelijk ook in hardballen en verloren mensen. In loverboys en touristen pimps.
‘Mensen daar aan in Nederland of waar ook aan de andere kant van de oceaan, doe je ogen eens open en help eens mee om op een andere manier van Afrika te houden. Zou dat kunnen?
Maar dan zie ik opeens dit Ghaneze gezegde voor me: ‘Vreemdelingen hebben grote ogen maar ze zien niks.’
Dus wat ik zei heeft geen zin dan? Okay heb ik het in elk geval gezegd.

John de entrepreneur.
2 Aug. 2008

John Abrose Fabeson woont al een kleine zes jaren bij ons. Indertijd was hij door Fr. Ambrose, een Benedictijnse monnik, bij ons gebracht. De monniken hebben hun abdij in Tanobuase, het dorp waar ook John woonde. Toen hij bij ons kwam was hij volgens zijn grootvader zeventien jaar oud, dus nu zou hij drieentwintig, volwassen dus, moeten zijn.
John heeft sinds zijn geboorte aan zware epileptische aanvallen geleden en aangezien medicatie toen nog zeldzaam was en zeker niet in de dorpen werd toegepast, (epilepsie wordt immers veroorzaakt door bezetenheid van de duivel,) heeft hij zeker heel wat hersenbeschadiging aan de voortdurende aanvallen overgehouden. In zijn dorp thuis, als kind, heeft hij de meeste tijd in zijn kamer moeten doorbrengen. Hij kan moeilijk leren maar kan nu eenvoudige rekensommen maken en het ABC opzeggen. Leuker voor hem is dat hij ook spelletjes op de computer kan doen en daar ook veel van leert.
Johns eigen moeder woont een dagreis van hem vandaan en heeft geen interesse in het kind. John woonde dus alleen met een grootvader in zijn dorp, en het waren de monikken die te hulp kwamen schieten en hem uiteindelijk hielpen overplaatsen naar onze leefgemeenschap. Hij krijgt nu goede medicatie maar toch heeft hij zo nu en dan een doorbraak epileptische aanval. Wat dan weer betekent dat we hem niet alleen op pad laten gaan buiten ons terrein. Of er moet iemand mee, of hij moet op hoor en ziens afstand blijven. De bush is verboden terrein voor John en snachts al helemaal. Maar…jammer genoeg heeft John daar zelf andere ideen hierover. John heeft entrepeneursbloed en schnabbelt graag hier en daar wat bij, stiekem als t even kan. Op de werkplaats weeft hij prachtige stoffen maar hij wil dus meer. Hij zeurde net zo lang tot we hem, net als Kojo Evans en Kofi Asare bijvoorbeeld, een eigen kamer gaven, in het kader van semi-zelfstandig wonen. Maar vanwege de epileptische aanval die altijd zijn lelijke neus om de deur kon steken kreeg hij een kamer waar, als hij weg wilde, door de kamer van zijn verzorger heen moest en hem dus moest waarschuwen. Dat leek een goede oplossing maar wat deed John? Jawel, hij kroop s’nachts door het raam naar buiten.
Nou was John natuurlijk al heel vaak gesnapt terwijl hij s’nacht zachtjes uit zijn raam klom en naar de muur rondom het terrein snelde om eroverheen te springen en in de zwarte nacht te verdwijnen. Wat deed hij s’nachts in de bush? Hij wist waar het ruige lange gras groeide waar men graag bezems van maakt. Die lange stengels sneed hij een voor een af en verstopte ze bij bosjes in zijn schuilplaatsen om ze voor de wekelijkse markt bij elkaar te binden en als bezems te verkopen. Een heel aantal keren was hij al gesnapt, gewaarschuwd, gestraft, nog eens een keer op zijn verstand gewerkt (stel dat je over die muur springt en dan een aanval krijgt, daar uiteindelijk bewusteloos blijft liggen. Wie kan je dan nog helpen?). Een heel aantal keren had hij zijn ‘illegale bezems’ moeten inleveren bij Ema. Maar niets veranderde, zodra hij kon sprong hij zijn raam weer uit de duistere nacht in. Honderd keer stond hij daar met neergeslagen ogen om schuld te bekennen en honderd keer was hiij weer bezig met zijn illegale nachtelijke praktijken. Op een dag bespraken we dit sprokkelgedrag nog eens en besloten te kijken of een aangemoedigde legale praktijk van bezems verkopen de illegale aktiviteiten zou onderdrukken. Hij mocht met zijn bezems bij de poort staan en verkocht. Hij werd aangemoedigd en lachte blij.
Maar toch, al snel vonden onze werkers weer een nieuwe ondergrondse schulplaats met vers afgesneden bezengrassen. Hij werd geroepen. ‘Wat is dit? Verkoop je nu legaal zowel als illegaal?’ Een stroom van woorden als uitleg maar het klopte niet, ook stromen van tranen, die klopten wel maar hielpen niet. We probeerden nog andere activiteiten waar John zonder gevaar voor zijn leven geld bij kon verdienen, de was doen voor een extra kwartje, het gras wieden voor een mooie fooi, helpen met verven en schoonmaken voor een bedrag. Hij vondt het leuk, hoewel hij erover klaagde dat hij te moe werd... geen wonder want zijn nachtelijk bezem-maken ging gewoon door! Het moet dus blijkbaar veel veel leuker voor hem zijn iets in het geheim te doen dan om zomaar wat geld bij te verdienen. We hadden even geen ideen meer en hielden maar zo veel mogelijk een oogje op zijn raam gedurende de nacht.
Toen gebeurde het een week of twee geleden dat hij om geheel andere redenen naar een andere kamer moest verhuizen. Hij wilde niet, hij scheeuwde, hij beet, hij scheldde zelfs zijn verzorger en Ema uit ‘You are under me, you have nothing to say about what I do.” Hij was echt door het dolle van woede.
Ze gingen rustig door zijn kamer uit te mesten en de pakken en zakken en tassen naar zijn nieuwe kamer over te brengen. Wat zijn hier toch veel zakken en wat zijn ze zwaar! Ze openden dus een grote zak om eens een kijkje naar de inhoud te nemen.
Verrassing! Het werd duidelijk waarom John toch zo geagiteerd had gereageerd op de verhuizing van zijn zakken en pakken, ze zaten van top tot teen volgestopt met kleding. Netjes gevouwen shirts, broeken, jeans, teeshirts, sokken, schoenen, zelfs een das een pak en een paar jasjes!
Het verhaal van de zakken met kleding deed als een vuurtje zijn ronde onder de verzorgers. “Heeb jij dat gezien? Wat die John allemaal niet in de zakken heeft gestampt? Hij kan de hele stad aankleden, hiermee!’ Joyce hoorde het ook en kwam eens een kijkje nemen. ‘Aaaaahah!’ ‘O God!’ zucchtte ze, ‘’Ik dacht al wat komt die jongen veel klagen dat hij geen kleren meer heeft, ik snapte het al niet en begon het raar te vinden! Blijkbaar kwam hij in op de draad versleten teeshirts en in shorts met gaten vragen om nieuwe kleding, steeds maar weer. “Alles is versleten, Mam. Komt omdat ik zo hard werk. Mag ik wat nieuwe kleren?’ Wie is Joyce om nee te zeggen. Heeft iemand haar wel eens nee horen zeggen? Nee, ze zegt: ‘Ja, tuurlijk!’



John zegt ‘Dank U’ met een lieve onderdanige glimlach en hij zegt ‘Jij bent mijn echte enige moeder’ en ‘God zal het u teruggeven, Mam!’. Hij kan goed slijmen en rats hij was weeer op weg, verzinnen van nieuwe manieren om kleren kwijt te raken. Volgend bezoek bij de kleding-store op ons terrein, met een bizonder gesmeerd verhaal: “Mam, ik heb een fit gehad en ben met kleren en al in de modder gevallen. Gelukkig was er iemand die me hielp, die waste me en droogde me op maar ik ben al mijn kleren nu kwijt, kan die persoon niet meer vinden, heb alleen deze lap waar hij me mee heeft opgedroogd.”
En “Oh Maame, Ik heb mijn kleren weggeven aan een arme man. God zal me dus belonen!’
Ja de laatste dagen had Joyce het niet meer vertrouwd en het in een vergadering te berde willen brengen. Toch was ze op geen enkele wijze voorbereid op het aantal kledingstukken die hij verzameld had, het moest meer dan 100 kilo aan kleding zijn, gestolen dus. Netjes gevouwen en klaar voor de verkoop.
Er was een vergadering over wat met hem te doen. Hij bekende in elk geval, althans engiszins. ‘I couldn’t help it. The devil forced me to…!’
O entrepreneur Johnny, wat heb je nog meer verstopt en wat ben je nog meer van plan! Hij kreeg straf, zware straf. Maar meer nog, zijn familie werd opgebeld en die moesten hier komen. Urgent.
‘Dus nu John, nu ga je met je broer en grootvader naar je dorp terug en ga je overal waar je kleding hebt verkocht of weggegeven hebt langs, en ga je het weer terughalen. Naar elk huis ga je, overal waar je onze kleding hebt versjaggeld, overal. Breng het allemaal terug naar Maame Joyce. Ga ook naar Fr. Ambrose die voor je zorgt, vertel hem van al de problemen die je veroorzaakt hebt.
Pas als we van Pater Ambrose iets horen en je alles goed hebt gemaakt mag je hier weer terug komen.
Het is nu twee weken later.
John is nog niet terug.

Vooraf aan de onderscheiding.
18-7-08

Het een hele eer om van de Ghanese president een onderscheiding te ontvangen, en zo voelde ik me ook, vereerd. Maar ik kreeg het onverwachte telefoontje minder dan een week voor de uitreiking die op 3 juli zou plaatsvinden, en ik was nog in Holland. Ik had daar nog net een volle dag om van een strandwandeling te genieten voor mijn terugkeer naar Ghana. Dat viel anders uit. Bob belde me heel enthousiast op vauit Ghana en Baffo even daarna, ik zat in de trein. ‘Maame, you’ll get an award from the president so I need 4 passport pictures and your life-story on two pages A4. To be in Accra before 10 am tomorrow. Please!’ ‘Ojaa? Wat leuk zeg. Maar hoe moet dat dan? Kan wel een snel mailtje sturen met een verhaaltje, want ik heb nog een resume in mijn laptop staan, maar pasfotos? Nee. Okay bel terug zodra ik thuis ben’.
Het was avond en ik zat ergens tussen Maastricht en Den Haag. Met gemengde gevoelens nam ik afscheid van mijn laatste vakantiedag. Dat wordt vanavond laat nog een verhaaltje mailen en morgen geen strandwandeling maar ... kleren kopen natuurlijk! Ook leuk trouwens. Jasje en hoed voor mij en jasje en das voor Bob, op zijn minst, want zijn ‘nieuwste’ nette kleren stammen uit 1997, van ons huwelijksfeest. Dus na thuiskomst een email-nacht en de Vrijdag daarop Shopping-dag!
Ik begin te racen. De dure winkels bij Scheveningen leveren me een wit jasje op. Bingo! Hoeden? Neeeee! Ik loop naar het oude Scheveningen, de Keizerstraat. Een hoed? Hoeden? Nee mevrouw, hier niet! Dus door naar de stad, ik rijdt met de tram bijna rechtstreeks de Bijenkorf binnen omdat ik intussen hoor dat ze daar hoeden hebben. Ja ik zal er als de koningin uitzien ook, nu dit toch moet. Val bijna door een raar soort draaideuren naar binnen en loop recht in een hoek met hoeden en sjaals, alsof het er speciaal voor mij was neergezet. Geluk dus. Nog een gelukje erbij, de hoed die ik wil ligt pal voor mijn neus en hij past, ondanks mijn ongewone schedelomtrek. Twee sjaals er bij, niet naar de prijs kijken maar gewoon pinnen en hebbes, alles voor elkaar wat mij betreft!

Nou Bob nog. Enthousiast zwaaiend met mijn armen vol plastic boodschappentassen loop ik de mannen-afdeling van de Bijekorf op. Hier loopt het minder soepel. Jasjes, pakken, hemden, alles hangt anders dan vroeger, kleine ‘boetiekjes’, merknaam bij merknaam, en niet meer lange rijen jasjes en broeken aan rekken van klein tot groter tot groot. Verdorie, ik heb een verkoper nodig, maar de enige verkoper staat bij de kassa en bij de kassa staat een lange rij mensen. Jammer, dus naar een andere zaak, C&A, heet nu anders geloof ik. Ook hier merk bij merk, niet maat bij maat. (Ik heb blijkbaar wel wat gemist sinds de 35 jaar dat ik nauwelijks in Nederland ben. Niet echt essentieel, maar toch...) Weer verkoper zoeken, is er weer niet. Dat zal dan wel een nieuwe trend zijn, geen hulp bij aankoop behalve van de spiegel en jezelf. Eigenlijk ook wel logisch. Maar ik moet wel een verkoper hebben, want Bob’s beeld vanuit Ghana naar de spiegel in de paskamer te krijgen,was het maar waar! Dus naar een andere winkel en nog eens naar een andere, nergens een verkoper, terug naar Bijenkorf. Ik zie een oudere kalende man door een deur ‘prive’ weglopen en ik trek hem bijna letterlijk aan zijn jaspandjes terug.
‘Bent U verkoper? Kunt U me helpen? Ik heb hulp nodig. ’
Het klinkt blijkbaar genoeg als een sos-signaal om de man te laten omdraaien en me aankijken. Met grote, goeiige en vermoeide ogen.
‘Ja hoor ik help U, maar eerst even een aspirientje nemen. Hoe kan ik U dan helpen mevrouw?’
‘Ik moet voor mijn man beslist vandaag een gekleed jasje kopen. Voor een receptie. Hij is in het buitenland, Afrika’.
‘Nou, dan gaan we op zoek. Maar wat voor maat? XL zegt me niks, echt helemaal niks. Iets anders weet U niet?’
‘Nee. We zijn even groot, mischien is hij ietsje kleiner dan ik, tegenwoordig. Hij heet Bob, is 77. Amerikaanse maten zijn anders. Best wel een behoorlijk buikje. Maar tengere schouders en geen lange armen of benen.’
‘Lijkt hij op die meneer daar?’ (hij wijst op een klein manneke met een klein buikje en een enorme snor. De man kijkt gemeen terug.
“Nee, Bob is steviger in zijn middel!’
“Hmmm, een buik als de mijne dan?’ Hij krijgt er lol in en licht koket zijn jasje op als een ballerina die haar tutu oplicht.
‘Nee, meer buik!’
’O ik weet het! Lijkt hij op een kabouter, soms?’
Ja!! Ik straal helemaal, U heeft t, een kabouter, precies. ‘Goed, hehe!
‘Dan weet ik het, tenminste het blijft een gok maar laat me maar even zoeken. 56. Kwart maatje. Heb nog net een jasje in die maat, maar wel een mooie. Kijkt U eens even?’ Ik zie het, het is prachtig, maar het is een donkere krijtstreep en daar hoort een zelfde soort broek bij, dat is een deel van een pak.
‘Toch? Dat is toch een pak? Dat kan je toch niet dragen met een ander soort broek eronder? Staat toch niet!?’
‘Ah mevrouw, mischien bent U al lang niet in Nederland geweest? Zo lopen de mensen nu allemaal, je kunt een zwart krijtstreep jasje bij wijze van spreken combineren met een sportieve kakhi pantalon, zelfs een spijkerbroek, dat mag nu allemaal.’ Zo gaan we nog een tijdje door maar ik wil toch een broek van hetzelfde erbij, als dit het enige jasje in zijn maat is.
‘Dan ga ik zoeken. Ik moet er nog ergens een hebben, er moet er nog eentje zijn ergens, van die maat en die stof. Staat in de computer. Ik ga in de kelder kijken. Blijf hier staan, ik kom over een paar minuten terug.’ Ik blijf daar staan met het kostbare jasje en de plastic zakken, onder andere de enorme zak met de hoed erin. Voel voor het eerst mijn lege maag knoren. Roodaangelopen en zwetend komt hij weer aanbenen en hij puft grijnzend
‘Ik heb hem! De laatste! De laatste 56!’ Het geheel lijkt echt iets voor Bob voor zover ik het in kan schatten.
‘Fijn, neem ik. Nu nog een overhemd. Weet zijn maat niet.’ De verkoper, met steeds meer genoegen in de situatie:
‘zoals de hals van die man daar? of mischien deze hier? Welk nek komt er het dichst bij?’ Hij kijkt rond en ik ook, ik spot een man met een vrolijk gezicht en een forse nek.
‘Die!’
‘Mag ik even?’ vraagt de verkoper aan de klant, en legt een centimeter om zijn nek. De man vindt het gelukkig leuk en ik krijg een knipoog. 43. Stapels overhemden maar weer op merk gesorteerd, niet echt duidelijk op maat. Ik bots een aantal cellophaanstapels omver en de verkoper komt me weer helpen, trekt met kennis van zaken er precies het juiste witte hemd uit. Dresshemd noemt hij het dacht ik. Bingo, alweer. Zelf vind ik de perfecte das.
‘Got it!’ Het was vijf uur. Ik denk dan sluiten de winkels, mischien is dat nu niet meer zo, maar klaar! ‘Ik heb alles, klaar!’ Spelden, prijskaartjes, magneten eraf, kassa, pinnen, en in (nog meer!) grote plastic zakken laten zakken, voorzichtig en plechtig want het is mooi spul en was een geweldige aderlating.
‘Dank U meneer. Fijn dat U er was, en dat meen ik echt!’ Ik vraag niet naar zijn naam. Wou nu dat ik zijn naam wel wist. ‘Echt heel erg bedankt.’ ‘Graag gedaan en U mag ruilen he. Binnen dertig dagen. Nou ja daar heeft U niet veel aan maar toch. Geluk ermee. Fijne receptie daar in de tropen.’
Om zeven uur s’avonds kom ik thuis, laatste avond, uitzicht op ondergaande zon en machtige zee. Al mijn pakken en zakken op de vloer en een rinkelende telefoon. Mijn goede vriend Gilles, wil naar Ghana komen voor de plechtigheid. ‘Echtwaar? Leuk! Zie je over een dag of vier, in Accra. Te gek allemaal.’
Vreemde en mooie dag, dit was toch beter dan een strandwandeling!
Vakantie-flat van top tot teen schoongemaakt, alles in de koffers gekregen. Behalve dan de hoed en een kado van mijn zus, een breekbaar maar prachtig houten bootje, die wilde ik in het vliegtuig in de hand dragen. Volgende ochtend Schiphol en 48 uur later thuis in Nkoranza. Nog steeds met hoed en bootje in mijn hand, onbeschadigd. Zo makkelijk gaat dat nou. Twee dagen in Nkoranza, nauwelijks tijd om de kinderen allemaal weer eens goed in de ogen te kijken en woeps terug naar Accra, met mijn dol-enthousiate Bob. En dan, de volgende dag, de uitreiking van de onderscheidingen. We zien er knap uit, ondanks het feit dat die broek van Bob toch niet paste en van achteren veranderd moest worden, wat we in Nkoranza nog gedaan hadden. Dat zag je niet, als hij zijn jasje temminste niet oplichtte! (Zoals in de Bijnekorf die verkoper zo koket even deed, 6 dagen geleden).
Zo zagen we er uit.



Dat was maar goed ook want Afrika weet zich opperbest te kleden bij dit soort gelegenheden. Zo lieten ook wij zien dat we de geste van de onderscheiding echt waarderen. De dag, 3 Juli, was mooi! Ik heb al mijn woorden al verschoten aan het verhaal van de aankoop van al die kleren dus laat verder maar even de foto’s zien. Die spreken trouwens beter dan woorden. Onze kinderen en vrienden en de hele natie kon het programma life op TV zien. ‘Maame wat zach je er goed uit!’ ‘Je liep zo vol zelfvertrouwen over het podium naar de president, was je niet zenuwachtig?’ ‘Wat zei hij tegen je?” ‘Gefeliciteerd dokter, heeft U verdiend!’


3 Juli 2008, Ineke ontvangt lintje van President Kufour.


Met Gilles die even uit Holland over kwam.


Met de Chief van Nkoranza die de bal aan het rollen
heeft gebracht, blijkt achteraf.


Met de kinderen.


Op het grote feest in Nkoranza, later.


Met Emanuella!

Zeg meneer van de Bijenkorf, dit verhaaltje krijgt U vast nooit te zien, maar toch, nogmaals, het was fijn door U geholpen te worden! Ruilen hoeft niet!


Archief Ineke's colum aug 2007 tot 28 juni 2008

Archief Ineke's colum aug 2007 tot 23 december 2007

Archief Ineke's colum december 2006 tot 26 juli 2007

Archief Ineke's colum 19 mei 2006 tot 20 december 2006

Archief Ineke's colum 18 juni 2005 tot 10 mei 2006