Ballonnen voor de doden en een verstoorde moeder van God.

23 dec 07

Het jaar is bijna voorbij en de kerstvoorbereidingen zijn al in een ver gevorderd stadium. Dit is de opwindendste tijd van het jaar, te beginnen met de selectie van de kerstcomittees aan het eind van November,. Elk zo’n comittee bestaat uit 3 of 4 verzorgers en samen nemen de comittees de verantwoordelijk op zich voor alle aktiviteiten die worden georganiseerd tussen de avond voor kerstmis en de avond van Nieuwjaarsdag. De kerstman, de kadootjes, het inpakken van de kadootjes, de andere festiviteiten, het kerstspel, kopen van eten, het koken, wat te drinken, wat voor spelletjes, een dag waterspelen in het zwembad, hoe en wat, het kampvuurtje op oudejaarsavond om rondom te dansen, het uitnodigen van verschillende kerkkoren, indien mogelijk een picknick, dat alles en nog veel meer. Een comittee voor elke activiteit helpt.



Het kopen van de stoffen voor de kleding voor de kinderen is al gebeurd (met de hulp van lieve vrienden) en de 63 kledingstukken zijn al genaaid door Ernestina en al in mooie pakjes ingepakt door Dorcas en Joyce. Elke dag zijn er weer nieuwe uitdagingen, hoeveel geiten hebben we nodig voor de kerstmaaltijd en waar kopen we ze voor de beste prijs en wat verder voor kerstboodschappen (ook hier hulp van lieve vrienden), waar gaan we de zakken rijst kopen en hoeveel blikken koekjes en hoeveel kraten limonade en wat doen we met onze gasten die op de 26ste naar het kerstspel komen kijken? .
Een week geleden was Bob in Sunyani om aan een groep van om en naby de veertig jongen enthousiaste Ghanazen die priester of religieus willen worden een seminar te geven, een introductie in Joodse studies. Dit gebeurt elk jaar, drie volle dagen, het is bijna een ‘love-in’ voor de jonge novicen. Bob doet het graag en ze vinden hem helemaal geweldig. Dus hij kwam terug met de mededeling dat hij zijn 40 novices en jonge priesters heeft uitgenodigd voor ons kerstspel.



Fantastisch toch! Maar waar vinden we genoeg stoelen en wat bieden we ze te drinken aan, trouwens ook de andere gasten? Wie was er ook weer van dat comittee? Wie was er nog meer uitgenodigd, genoeg stoelen, koekjes, softdrinks? Alles voor jullie comittee, denk erom dat het veel is! En mensen die gasten verwelkomen en een stoel aanbieden, weet je wel, net als vorig jaar. (Toen het mis ging!). Ziekenhuis staf, leraren van Shalom, vrienden, bezoekers, mensen uit de kerk en dan de 40 van Bob! Moet gaat lukken. En als het een en ander uit de hand loopt, wat altijd wel ergens gebeurd, wie geven we dan de schild? De comittees natuurlijk!

Elke keer als ik naar het ziekenhuis, of anders via het ziekenhuis naar het dorp ga, kom ik langs het nieuwe mortuarium. Deze nu heel stoffige weg, vanwege het droge seizoen, is de enige weg naar het ziekenhuis en naar het dorp die nog begaanbaar is. De oude weg om het ziekenhuis heen en via de achterkant van het mortuarium is nu onbereidbaar behalve te voet, met een fiets of voor trucks, kruiwagens en tractors.
Een paar dagen geleden gingen de kerstversieringen in het ziekenhuis op (onze hier pas op de 24ste) en dus zien de zalen er leuk versierd uit met guirlandes, plastic bloemen en kerstlichtjes. Mooi. En wat zie ik gisteren, ondanks de stofwolken, toen ik op een van mijn vele ‘op en neers’ langs het ziekenhuis kwam? Er hangt een gezellige kleurrijke bundel ballonnen aan de voordeur van het mortuarium te wapperen.



Ja echt, feestelijke decoraties voor de doden. Of mischien om de nabestaanden wat op te beuren. Waarom ook eigenlijk niet, waarom geen vrolijke ballonnen in de lucht voor het mortuarium?. Het spreekt voor de traditionele optimistische Ghanese spirit, en hun overlevengslust. Ik voel mijn mond verzachten tot een glimlach. Mooi zo, jongens. Als we het leven mogen vieren waarom de dood dan niet. Toch?!
Mischien hebben de ballonnen ook een andere functie, mischien willen ze de aandacht vestigen op de officielle ingang van het gebouw. Zou kunnen. Of de aandacht afleiden van de achterkant van het gebouw.
Want boze tongen blijven maar fluisteren dat daar vreemde dingen gebeuren die niet door de beugel kunnen. Dat er twee manieren zijn om het lichaam van je overleden familielid op te halen als je klaar bent voor de begrafenis-evenementen. De ene is via de voordeur, waar je je auto netjes kan parkeren, hulp krijgt om het lijk waardig op een trolley in de auto te dragen en alles keurig verloopt. Voor de volledige prijs natuurlijk. En de prijs om een lichaam in dit voorbeeldig onderkoelde moderne mortuarium te bewaren kan nogal eens oplopen, bijvoorbeeld als de begrafenis over langere tijd is uitgesteld omdat de voorbereidingen erg ingewikkeld zijn of bijvoorbeeld omdat er een familielid uit het buitenland moet komen en dat natuurlijk weer meer tijd vraagt.
Dus wat moet je dan, als je eindelijk al je familie bij elkaar hebt geroepen en de datum van de begrafenis komt eraan en het blijkt dat de rekening zo is opgelopen dat er doodgewoon geen geld meer voor is. Wat dan? Nou deze boze tongen beweren dat ze precies weten wat er dan gebeurd. Dan ga je bij de baas van het mortuarium op dat wankele bankje zitten om over je financielle problemen te praten en dan kan het nog wel eens zijn dat je een flinke, echt een flinke reductie krijgt! Een goed prijsje en het gevoel dat je begrepen wordt. Je moet dan in het dusiter van de nacht wel naar de achterkant van het mortuarium lopen en daar iets van een kruiwagen of truck klaar hebben staan, of anders moet je maar met z’n tween zijn om zo het lijk te dragen.
Goed, dan wordt er een luik aan de donkere achterkant geopend en wordt er een grote bundel naar buitengeschoven en opgevangen door de familie. Die er dan snel mee naar de auto spoed, die ergens slim bij donker struikgewas is geparkeerd. En daarna...is het gewoon business as usual. Nou deze manier van omgaan met het lichamelijk overblijfsel van je familielid is natuurlijk niet zo waardig als het ophalen bij de officiele poort maar ‘hey’, wat moet je soms als arme sloeber?
Het schijnt dat er door iemand behoorlijk winst wordt gemaakt met deze achterdeur- praktijken en dus verlies voor de eigenaar, de bischop van Sunyani. Ik hoor zelfs dat het ziekenhuis managment zonder meer toegeeft dat dit gebeurt maar…. Dit probleem oplossen stoot op een heel aantal andere problemen, die zwaarder gevonden worden dan het oorsponkelijke probleem. De werkers van het mortuarium zijn geschoolde mensen, je vindt ze niet zomaar, ze zijn schaars. Als iemand uit het ziekenhuis de baas van het mortuarium op deze donkere praktijken zou wijzen zou de man ‘goededag’ zeggen en bij een ander mortuarium gaan werken. Vacatures genoeg! En wie zou hier dan weten hoe met die ingewikkelde koelmachines om te gaan en die toch wel macabere ‘lijken-fabriek’ verder te managen? Niemand dus. En als je die lijken zomaar laat ontdooien wat dan? Eeen publieke opstand zou dat worden, lynchpartijen als je niet uitkijkt. Respect voor de dode is hier in Ghana groot en de tradities rond begrafenissen zullen niet snel veranderen, ze zijn te zeer onderdeel van de samenleving. Lijken ontdooien? Het bericht is via de FM’s binnen het uur over het land verspreid en de krant zal er bol van staan.
Het kan zijn dat lichamen niet altijd heel precies goed behandeld worden maar lijken daar blijf je af!
Dus, boze stemmen, fluister, maar niet al te luid. En als je s’nachts soms vreemde geluiden hoort draai je dan maar lekker nog eens om en slaap rustig verder. Zoals ze zeggen: Leven en laten leven, ook in het lijkenhuis!
We zouden erachter moeten komen wie die balonnen heeft opgehangen. Als ze door het ziekenhuis zijn aangebracht bedoelen ze denk ik te zeggen: ‘Hallo, dit is de voordeur, de enige deur!!! Als ze door de mannen van het mortuarium zijn opgehangen zal het wat anders betekenen, trots op hun werk en hun werkplek die hun geen windeieren legt, trots op hun flexibele prijzen en blij met hun markt monopolie.
Maar nu genoeg met de ballonnen.

Woensdagavond hadden de werkplaats-studenten ‘van buiten’ hun kerstfeest voor ze voor de kerstvakantie naar hun familie terugkeerden. Angela had een pracht van een feest georganiseerd met prêt en een heleboel nieuwe verrassingen. Nieuwe gedichten, nieuwe liedjes en dansstijlen, en dan het werkplaats-koor die het nationale volkslied zong onder leiding van Master Dela!!Het was een grandiose opvoering en Dela is gerezen als een ster!



Vrijdagmiddag vond de generale repetitie van het kerstspel plaats. De generale repetitie gaat vaak beter dan de uitvoering zelf. Niet zoveel last van zenuwen en ook geen gasten die halverwege komen binnenlopen of op andere manieren ongewild de concentratie verstoren.
Na een paar heftige debatten werd besloten dat Moses weer baby Jesus mocht spelen.



De jongste van onze kinderen is Emanuella, maar Emanuella is niet het soort meisje dat je zomaar enthousiast in de lucht kan blijven gooien, je kan niet al te veel met haar wildebrassen want ze is een kleine dame! Hier is een foto van Emanuelle toen ze op 17 december jl haar derde verjaardag vierde, gezeten tussen de bloemen. De volgende die voor Jesus in aanmerking kwam is Kwabena, Kwabena is drie. Maar...een hele dikke grote drie, het is bij hem geen kwestie van karakter of kwetsbaarheid, hij is gewoon veel te zwaar voor de caregivers om steeds maar weer de lucht in te werpen en op te vangen. Jammer, Kwabena. Dus wie is er over? Moses, de lucky guy, je wordt voor de tweede keer Jesus!
Maria en Josef worden zoals gewoonlijk door Afia en Kofi Asare gespeeld. Kofi is altijd vol enthousiasme, overal over trouwens, maar met Afia is dat een andere zaak. Het stoorde haar dat ze in de ezelkar moest plaatsnemen, de ezelskar die als kribbe was omgebouwd, en dan nog wel naast die kleine opdonder van een Moses, dus ze moest er door twee mannen in gedragen worden. Toen ze er een keer zat staarde ze verstoord zo ver mogelijk weg van alles en iedereen, neus in de lucht.Haar pasgeboren babytje moest ze van geen kanten.



Tijdens het lange zitten in de kribbe toonde ze Jesus geen blik waardig, laat staan dat ze zich naar hem toe zou wenden om naar hem te reiken. Niet dat Jesus dat nou erg vond, die had het druk met door de palmblaren te rollen en te proberen overeind te zitten en zijn knokige knien over de rand van de kar te brengen en dan zijn dunne beentjes heen en weer te bungelen en te schoppen. Hij was er met zijn kleine lijfje zo afgesprongen als hij niet zo nu en dan een flinke tik kreeg en nogal ruw weer plat in de bladeren werd gedrukt, zoals het een ‘Jesusachtige jongen’ behoort. ‘Jesus laat zijn benen niet bungelen’.



Een goede Jesus zit niet rechtop in zijn krib te kijken wat er verder nog voor avonturen te beleven zijn, een goede Jesus slaapt of bidt. Liefst allebei!
Acher de kribbe zaten de schaapjes, de rolstoelschaapjes. Ze zaten daar maar, geduldig. Aaron, Wumpi, Inno, Lisa, Alice. En links van de krib, op de grond, zaten de autistische schaapjes. Met zijn allen hadden ze niet veel stem in te brengen!
Des te meer de verzorgers, die al de geluiden maakten, en met gusto, die schapen en ezels en ossen maken. ‘Meeeeeeeeee, me-e-e-e! En perfecte ezelgeluiden zodat de ezels natuurlijk zelf gauw kwamen aanlopen! En lol dat ze hadden. Ze waren zo enthousiast bezig dat de lethargie van Maria en vele anderen meer dan gecompenseerd werden.
De rol van Keizer Hero is altijd gespeeld door Kojo Evans, die best een koninklijke uitstraling heeft. Over de jaren heeft de keizer een hele familie gekregen. Een paar jaar terug kwam YaaYaa, de keizerin, naast hem op een gouden troon zitten, en nu hebben ze ook al een dochter in het goud gekleed, Emanuelle, en een zoon, PaaYaw. Aan hun voeten op een kleed zitten de bedienden en de vertalers van de koning. Barrevoets, duidelijk niet van dezelfde standing, maar…ze mogen voor hun voeten zitten! Dit is de geest van Ghana, een koning hoort niet alleen te zijn en ze hebben daar helemaal gelijk in. Nu is de koninklijke groep, in het goud gekleed en met gouden diademenop, wel de groep die onmiddelijk in het oog springt. Klopt dat wel? Het was toch niet zo’n prettig heer? En had hij niet een marginal rolletje in het geheel?
Jesus moest natuurlijk het centrum zijn van alle aandacht. Maar hoe moet dat met een moeder naast hem die hem geen blik waardig keurt, die helemaal de andere kant op kijkt met een soort expressie van walging? En met een Jesus die steeds maar weer teruggeduwd moet worden en toch blijft rollen en hoppen en over de rand van de kribbe klimmen, allemaal ‘niet-Jesus-gedrag uithaalt! Hij zou een heilig bundeltje zoetheid moeten zijn, liefst nog ruikend naar wierook en dennegeur. Lukt niet. Maar aan het eind komt alles goed, komt Jesus toch uit de duistere coulissen naar voren doordat hij gewoon wordt opgetilt, in de lucht gegooid, opgevangen, weer gegooid, met een ongelofelijke handigheid en overmoed! Hij lacht! Daar had men op gewacht!



Alle andere caregivers en kinderen, de drummers, een paar bezoekers, iedereen wordt enthousiast en wil hem aanraken en kussen en weer omhoog werpen. Geen twijfel aan dat hij nou midden in het kijkveld staat. En eind goed al goed toch? Als hij nou maar niet met een reuzezwaai van iemand in de takken van onze boom beland.Trouwens die boom van ons die bloeit alleen met kerstmis, knalrode grote bloemen, nu is het dus niet onze boom maar onze kerstboom. Uitkijken voor de kerstboom, over drie dagen!

 

Aan iedereen die dit leest
een heel fijne kerst toegewensd en een
gelukkig en goed nieuw jaar.

Lazarus en zijn vrouwen

16 Dec. 2007

Zo nu en dan moeten de verhaaltjes over de kinderen op de website worden bijgesteld en dat is een goede manier om zo ook hun ontwikkeling te volgen. Neem Lazarus. Dat verhaaltje over Lazarus was iets meer dan twee jaar geleden geschreven. Toen was Lazarus een van die kinderen die gewoon niet opgemerkt werden. Zelfs nu zien veel mensen hem nauwelijks. Iemand zou kunnen vragen ‘Wie is dat jochie toch dat zo vreemd naar me toe komt rennen en elk moment over zijn eigen voeten lijkt te vallen?’ Of iemand die vraagt over die luide primaire schreeuw die zo doordringend klinkt en die je zelfs aan de andere kant van de heuvels kan horen. Je vertelt het en je ziet ze denken, wat, dat volume uit dat verlegen en onopvallende mondje van die kleine jongen?
Hier beneden staat de nieuwe versie van wat op zijn webverhaal gaat komen. Nu staat de oorspronkelijke versie er trouwens nog, goed om te vergelijken!

Lazarus is waarschijnlijk in 1991 geboren. Zo’n tien jaar na zijn geboorte, in 2001, werd hij van het psychiatrisch ziekenhuis in Accra naar onze gemeenschap in Nkoranza overgebracht. Hij was er toen slecht aan toe. Vel over been en heel erg stil, onzichtbaar en onhoorbaar eigenlijk. Oogcontact wilde hij al helemaal niet. De hele dag kon hij op zijn eentje in het zand (of liever nog in de modder) zitten, met zijn vingers soms wat spelend met de grond. In feite leek het alsof hij alleen met de aarde enigszins contact kon hebben. Verder had hij had altijd al een onhandige manier van lopen gehad alsof hij steeds over zijn eigen voeten voorover zou gaan vallen.
Lazarus is nog steeds een rustige jongen en hij is nog erg veel alleen, maar nu heeft hij de keuze aan zich. Hij kan zo vaak als hij wil naar een verzorgster gaan, met een enthousaiste brul erop af rennen en dan vlak voor haar stilstaan en met zijn ogen gaan staan knipperen en schitteren alsof hij een mooi visioen heef. Elke keer weer zal hij een enthousiast onthaal krijgen en verder aangemoedigd worden dit te blijven doen want iedereen is trots op wat Lazarus heeft bereikt. Hij heeft heel veel speciale aandacht ontvangen van zijn verzorgster en van een heel aantal vrijwilligers en het verschil is nu duidelijk waar te nemen. Lazarus geniet nu van de maaltijden en hij eet goed, zelfs graag en veel, zolang hij de speciale aandacht blijft voelen in elk geval. Lazarus heeft nooit een woord gezegd en nooit ook maar het kleinste geluidje gemaakt. Dat wil zeggen tot begin 2006. Toen, op een dag, hoorde men opeens een door merg en been gaande schille kreet. Het was over voor het begon maar het was een luide schreeuw en hij kwam...van de mond van Lazarus, ook waarschijnlijk tot zijn eiegn verbazing! We noemen dit nu ‘zijn primal cry’, die schijnbaar over de heuvels in de omgeving zelfs te horen is. Wat hij ermee uit wil drukken weten we niet, waarschijnlijk alleen al om aan te geven dat hij bestaat! Ik ben er! Dus met deze schreeuw liet Lazarus zich binnen in het land van de levenden!’
En heel kort geleden heeft hij nog een ander geluid laten horen, niet een schreeuw maar een luid aanzwellend gebrul, als van een leeuw of beer. Krachtiger en aardser dan het gegil van vroeger. Ook nieuw is dat hij nu helemaal naar je toe komt rennen tot pal voor je gezicht, daar blijft staan en je diep en met knipperende oogleden in de ogen blijft kijken, alsof hij daar iets heel wonderbaarlijks ziet. Nu krijgt Lazarus geen extra voedsel meer, anders zou hij al te dik worden. Lazarus, over de laatste paar jaar heeft een wonder plaatsgehad en ishij verrezen!

In December 2001 heeft een vrijwilligster van het psychiatrisch ziekenhuis in Accra, Nienke, besloten voor Lazarus’ leven te gaan vechten en zo werd hij uiteindelijk naar ons overgebracht. Dit was de eerste vrouw in Lazarus leven die ik kende die zich echt voor hem heeft ingespannen.
(Mischien heeft zijn eigen moeder dat lang geleden ook wel geprobeerd, wie zal het weten? Mischien kon ze niet op tegen een al te sterke familie dwang om haar kind toch weg te moeten doen, omdat het een mislukkeling was, kind van een boze geest. Of mischien was er wel helmaal geen moeder meer om voor hem te vechten. Niemand zal precies Lazarus’ verhaal kennen van voor hij op straat gevonden werd, hoe en waar hij is gevonden en hoe lang hij in het staatsziekenhuis is gebleven, dat ziekenhuis wat ook soms wel het ‘pakhuis voor mislukkelingen’ wordt genoemd.)
Toen hij bij ons kwam was hij meer dood dan levend, zeker in geestelijk opzicht. Hij verbleef bij de ene verzorger na de andere maar verbeterde bij geen van hun. Lazarus was een onzichtbaar donker silhoutje dat je soms op de donkere aarde zag zitten. Zoveel mogeljk schutkleur. Hij zat niet eens met gekruisde benen, hij zat in elkaar gerold als een foetus. Eeen paar jaren gingen er zo voorbij. Tot in 2005 Veronica bij ons kwam. Ze werd de verzorgster voor Lazarus, speciaal voor hem aangenomen, de tweede spciale vrouw in zijn leven.
‘Vero, zorg jij voor Lazarus? Hij heeft heel veel aandacht nodig, we weten niet eens waar te beginnen. Met eten maar, vindt je niet? Laten we eens zien of hij een paar pondjes aan kan komen?’’
Toen Vero net kwam was ze bijna net zo’n stil dun en onzichtbaar persoontje als Lazarus. Ze sprak ook nauwelijkes. Maar ze deed haar best en nam hem op haar rug in een doek en zat zolang ze kon aan tafel met hem om hem te laten eten. Alles blijkbaar tevergeefs. Hij at nog steeds niet en zijn enig fijne plekje bleef de kuil in de aarde waar hij urenlang kon zitten, het liefst naakt.
Er kwam nog een speciale vrouw in zijn leven, de vrijwilligster Joti. Ze begon te helpen met het eten geven aan Lazarus. Vero vond dat in het begin maar beangstigend, deed zij het soms niet goed genoeg? Joti en Vero bijna in een vreemd soort competitie over hun Lazarus. De gevoelens werden later geheeld natuurlijk en toen Joti in het begin van de zomer van 2006 wegging had ze een vriendin aan Vero en was Lazarus al heel wat anagekomen.



Lazarus was toen ook zijn moedige rennetjes begonnen, op mensen af maar op het laatst van richting en tempo veranderen terwijl de enthousiaste gil wegzakte.
Vero bleef Lazarus lekker bijvoeden en andere vrijwilligers, de een na de ander, hielpen mee en droegen een steentje bij aan de ontwikkling van Lazarus. Dus werd hij steeds moediger en ook dik, een ronde pasha! Het laatste jaar kwam hij dus zo al brullend en voorovervallend op je afhollen, tot hij opeens al te dichtbij was voor zijn eiegn zin en opeens stokstijf stilstond en je met bevreemding aankeek of snel wegholde. Lazarus werd echt minder sociaal angstig.
Sinds drie, vier maanden heeft er weer een nieuwe breakthrough plaatsgevonden. Hij ontwikkelde zijn ‘leeuwnbrul’, veel meer een communicatiemiddel met andere mensen dan de ‘primal cry’. Met een leeuwengebrul rent hij onhandig op je af, gaat nu vlak voor je staan, blijft met zijn ogen knipperen alsof hij niet gelooft wat voor moois hij ziet en lacht! Hij loopt niet meer met kringetjes om mensen heen, hij sataat daar gewoon vlak voor je van je ogen te genieten! Hij wil dan zelfs nog wel eens aangeraakt worden in zijn gezicht. Lazarus is echt tot leven gekomen! (Wie kent er eigenlijk het oude bijbelverhaal van lazarus nog?)



Deze laatste ontwikkeling gebeurde tijdens het verblijf hier van twee vrijwilligers, Danielle en Carolien. Tussen September en eind November gaf Carolien, de vierde speciale vrouw van Lazarus, hem toch net weer zoveel warmte plezier en veilighied dat Lazarus er n echt helemaal mag zijn en wat het leuke is, hij weet dat!!!
Dadelijk staat hij op de hoeken van de straten kushandjes uit te delen, of wat zal het volgende zijn met deze wonderbaarlijke jngen? Tot zover het verhaal van Lazarus, de chief met het grootste aantal speciale vrouwen in zijn leven!

Vandaag geen verkoudheden, alstublieft.

9 december 2007

Het is half negen s’ochtends, een koele, mooie zondagochtend. Het ontbijt is over en het wordt tijd om aan het werk te gaan. Er komt echter een klein groepje kinderen, allemaal in truien, rondom de tafel staan, YaaYaa en M’Adyoa en een paar anderen, met hun snotneuzen en hoestjes. Dit is dagelijks de tijd om kinderen met ziektetjes en schammen en zweren te behandelen en ze van medecijnen te voorzien. Ook is sinds ongeveer een week de ‘harmattan’ begonnen te waaien, de droge woestijnwind uit het noorden, die veel stof en Sahara-zand met zich meevoert. Hiermee is voor de komende maanden het fenomeen ‘neusverkoudheid’ weer onze dagelijkse metgezel. Men is al begonnen met klagen over droge huid en gebarste lippen, zere ogen en verkoudheden. Ik ook.
Ik zie ze zich dus rondom de ontbijttafel verzamelen en voor ik het weet zit ik opeens midden in een preek: “He jongens en meisjes, vandaag geen verkoudheden, alstublieft. Vandaag is de kliniek gesloten! Nee, echt waar! Geen verstopte neuzen, geen hoestjes, geen koutjes, sorry! De Paracetamol is te krijgen bij Ema!”
Grote ogen. Wat zegt ze nou?
Er komen meer mensen, kleine en grote, en ze vormen nu een rij. Vanaf de zomerhut lopen ze naar me toe. Philo en Moses voorop, zij met bloemen en hij met een opgerold papier in zijn hand.
Ach hemel ik zit helemaal mis, het is voor mijn verjaardag!
Blozend verander ik zo snel ik kan de uitdrukking op mijn gezicht, van irritatie naar beminnelijkheid, en schiet op mijn voeten om al buigend de bloemen in ontvangst te nemen. De opgerolde text leest: “Harteleijk gefeliciteerd met Uw verjaardag van al uw kinderen.”
Dan zingen ze het ‘Lang zal ze leven’ voor me. ‘Hoe oud bent U nou?
‘Ik ben 36 jaar ou-oud, ik ben 36 jaar oud’.
“May God bless you now-ow, may God bless you now!”
Bedankt heerlijke neus-verkouden kinderen. En help me volgend jaar deze tijd onthouden eerst wat beter te kijken voor ik reageer!

Ziek zijn, derde en laatste deel (hopelijk)

1 Dec., 2007

De laatste week hebben we ons nog steeds niet uit de greep van het ziek zijn kunnen ontworstelen. Natuurlijk heb je altijd met ziekte te maken als je in een ziekenhuis werkt, maar ik bedoel natuurlijk iets anders, het met lijf en lee erbij betrokken zijn.
Net nadat Bob terugkwam uit het ziekenhuis kwam de Chief bij ons aanrijden. De Chief en ik kennen elkaar al jaren, sinds zijn kroning meer dan twintig jaar geleden. De laatste tijd zijn we steeds dichter naar elkaar toegegroeid en tien jaar geleden, op het huwelijk van Bob en mij in Nkoranza, liep ik als dochter aan zijn arm om aan Bob weggegeven te worden. Een feest wat op een prachtig traditioneel drummend en dansend spectakel uitliep. De Chief en ik mogen elkaar heel graag.
De Mercedes met de vaandel stopte voor ons huis, iemand sprong eruit om het bezoek van Nana aan te kondigen, de politieman met zijn geweer, de escorte van Nana, kwam de kamer binnen en daar kwam de Chief zelf, nog steeds statig met het traditionele kleed over de wat gebogen schouders.
Nana kwam met een map rontgenfoto’s, ECGs, laboratorium uitslagen en een verwijsbrief van de internist uit Techiman. ‘Recent hartinfarct, longontsteking, moet opgenomen worden maar weigert’.
‘Maar Nana met een vers hartinfarct moet U echt in een ziekenhuis liggen! Echt waar dat meen ik, alsublieft!’ Met behulp van de verpleging maakten we gauw een bed voor hem klaar en probeerden hem er bijna op te duwen. Maar hij weigerde. Dus uiteindelijk deed ik dan maar wat ik wel vaker heb gedaan en dat is een gastenverblijf bij ons op PCC voor hem klaarmaken waar hij natuurlijk veel prettiger ligt. Ruim, schoon, seflcontained en de verpleegsters komen dan af en aan bij zijn huisje voor labtests, medicatie en al dat soort dingen. Zo voelt hij zich lekker comfortabel. Het IS ook veel comfortabeler zo, natuurlijk!
Dus zo gedaan en Nana begon te ontspannen, hij had er zo grauw gebogen uitgezien. De verpleegster stak handig het infuus in zijn arm en spoot de medicatie. We hadden nu 24 uur per dag een politieagent met geweer bij onze poort wat iedereen een veilig gevoel moest geven. (Er heerst een politieke rel rond de troon van de Nana, en de families van de oppositie willen hem weg hebben, vandaar de voortdurende bewaking.)

Weekend dus. De Chief ziet er slecht uit, heeft een gelige keur. Hij hoest en heeft moeite met ademhalen. ‘Nana, ik wilde maar dat U in Accra lag. U hebt hulp van een cardioloog nodig, mischien een hartchirurg. De conditie van de bloedvaatjes rond U hart, die moet getest worden. Een coronair arteriogram. Dat soort dingen. Het kan zijn dat U bepaalde procedures nodig hebt die we hier natuurlijk onmogelijk kunnen doen. U zou eigenlijk niet in zo’n streekziekenhuis als het onze moeten blijven hoewel het voor even natuurlijk wel goed is’.
Het werd een moeizame en vaak onderbroken discussie gedurende het weekend maar uiteindelijk stond Nana toe om naar het heel gespecialiseerde militaie ziekenhuis in Accra te worden overgebracht. Nana is een veteraan. We besloten om met behulp van het leger te proberen een airlift te organiseren. Vanaf dat moment to Dinsdagmorgen rinkelden de telefoons aan een stuk door. Telefoontjes naar ‘medische spoedopnames’ van het militair ziekenhuis, populair ‘37’ geheten, telefoontjes naar de legerbasis in Sunyani, telefoontjes met ‘Kapitein Dela’ en Luietenant Hanson, maandag ochtend Kolonel Appiah van central of noordelijk command aan de telefoon. ‘Dokter, dit is Appiah, kunt U de patient naar Sunyani vervoeren zodat we hem daar op een toestel zetten? Naar Accra?’ ‘Jawel kolonel, dat kan.’ ‘Hoeland gaat dat duren voor de patient daar is?’ ‘Twee uur en een beetje. We sturen hem met de ambulance, die moet uit Techiman komen. Zeg half twaaf vanmorgen.’ ‘Waarom niet eerder?’ ‘Omdat het twee uur rijden is van hier, en we kunnen niet hard rijden ook.’ De stem zegt: ‘wacht, blijf in de buurt. Ik bel zo terug.’
Opgewonden sukkel ik op een drafje naar het huisje waar de Nana slaapt, maar bij zijn deur wordt ik weer gebeld. ‘Kolonel Appiah hier. Dr. Bosman zorgt U ervoor dat de patient over 40 minuten klaarstaat want we sturen een helekopter naar U toe. Alstublieft de helikopter zal ter plekke bekijken of en waar het kan landen in Nkoranza. Waarschijnlijk op de open plek bij het ziekenhuis gebouw. Als hij gaat dalen moet U met de patient klaarstaan. En een verpleegster mee, niemand anders.’
Blij en opgewonden vertel ik de laatste ontwikkelingen aan Nana, die als een soldaat reageert met een droog ‘Okay, goed. Dank Ineke. Ik ga me klaarmaken dan.’
Een verpleegster in 40 minuten? Ik doe de hele procedure ondersteboven. Eerst bel ik Zr. Vero, de verpleegster die voor Bob en Nana heeft gezorgd en die me na aan het hart ligt, onder andere omdat ze zo vakkundig is. Vero is ook een soort soldaat. ‘Ja, doe ik’ zegt ze met dat karakteristieke lachje van haar dat elke burger moed geeft. Dan pas vraag ik de ziekenhuis-autoriteiten hierover, of degen dan die aanwezig zijn. Dat blijkt alleen mijn collega Dr Aboagye te zijn. Tuurlijk, een airlift, doen. Zr. Vero? Geen probleem. We zijn nu de enigen hier, boss, dus we kunnen besluiten wat we willen, lacht hij! (de rest van de ziekenhuis managers zitten ergens aan de kust voor een van de vele workshops, deze over planning en managnment) Dr. Aboagye en de rest van de werkers kijken toch wel wat gek want dit is de eerste keer in de geschiedenis van het ziekenhuis dat er een patient naar Accra wordt geairlift.
Dan is het alweer veel later en we zitten allemaal klaar, bij het hek van onze PCC, Bob, Vero en ik, en kijken geregeld in de lucht. Maar geen helicopter. Nana ligt aangekleed op bed te rusten. Wachten nu. Niets. Twee uur later, niets. Het loopt tegen 12 uur. Ik heb de kolonel twee keer gebeld, hij is er zeker van dat de helicopter op weg is. Maar hij moest van Bolga naar Tamale, van Tamale naar Sunyani, in Sunyani tanken en dan naar Nkoranza dus kan wat langer duren. Hij belt nog een laatste maal. ‘Het wordt 12.40. Ze zijn er precies 12.40, bij jullie ziekenhuis. Geen tijd verspillen, gelijk erin en naar Accra. Een verpleegster en de patient, verder echt niemand, denk erom.’ ‘ 12.40 met de patient, sta klaar daar. 12.40.’
We zitten nog steeds bij het hek. Dank zei Charity krijgt Zr. Vero te eten. Nana eet alleen voedsel uit de keuken van zijn eigen paleis. Alleen dat wat zijn vrouw heeft gekookt. Heeft Nana gegeten? Hij zegt van wel. Kan zijn, we laten het maar gaan.
En…. Dan is hij er opeens, die rare stalen vogel. Groot! Recht boven ons en dan weer in kringen om ons heen. Met zo’n lawaai dat elke gesprek verder ommogelijk wordt. De helicopter vliegt zo laag dat een kind naar het landingsgestel had kunnen springen. Een gezicht kijkt uit het raamje naar beneden. Ja! We rennen naar mijn kleine autootje en rijden het lawaai achterna. En daar hangt hij pal voor ons. Hij hangt boven het stukje land dat vaak als voetbalveld wordt gebruikt door de ziekenhuiskinderen. Het land heel langzaam en voorzichtig recht omlaag tot het op het grasveld staat. De propellers en het lawaai blijven doorgaan. Wat een kast van een ding! Overal takken van de boomtoppen afgerukt en enorm veel wind, maar wat keurig heeft het toestel geland!.
De piloot, iemand met een naamplaatje met ‘Ismael Abbas’ erop komt uit de cockpit springen en steekt me een hand toe. Hij zegt wat maar door het lawaai is alleen gebarentaal mogelijk. (Hier had Joshua bij moeten zijn!) Ik wijs naar de weg achter ons waar de auto met de Chief erin snel komt aanrijden. In een mum van tijd zijn Nana en Vero in de helicopter geholpen.



Ismael Abbas salueert, klimt terug naar binnen de helicopter in en voor we het weten hangt hij alweer een paar centimeter boven de grond in de lucht! Als een zwaar beest zijlt hij rakelings over het ziekenhuisgebouw weg en verder omhoog en de verte in. Ze laten ons, en wat lijkt op de volledige bevolking van Nkoranza die uitgelopen is, met open mond en besproeid met zand en stof achter op het ziekenhuisveldje.

Op spectakulaire wijze heeeft de Chief Nkoranza verlaten. Hopelijk gaat het goed met hem gaan. Twee uur later is hij bij het militair ziekenhuis aangekomen en opgenomen op een privekamer, na al door een serie testen en ECG’s te zijn geweest. Dank U kolonel Appiah. Het was 12.40 precies. Perfect uitgevoerde airlift. De enige die ik ooit heb mogen meemaken. We praten er nog over, hier. We zijn onder de indruk. Echt waar.

Dit moet wel het einde zijn van de serie ziektegevallen die ‘too close for comfort’ waren. Tijd voor iets anders. Tijd voor het begin van de kerstvoorbereidingen, over minder dan 4 weken al! Hoera!

Ziek zijn. Deel 2.

23 November



Vorige Zondag werd ik snel beter zonder in de gaten te hebben dat Bob ziek aan het worden was. S’nachts riep hij, ‘Ineke, please’. Ik kijk en zie hem helemaal gekrompen in elkaar gerold liggen, hevig klappertandend. I begrijp niet wat hij tegen me zegt tot ik begrijp dat hij dat zelf ook niet weet, hij slaat wartaal uit. Ik vind de termometer: 39.6. Het is negen uur savonds en ik probeer hem op zijn benen te helpen, geschokken van de koorts en vooral van de verwarring. Hij is te zwaar en het lukt me niet. Ik loop naar buiten en zoek hulp. Vincent en Baffo, twee sterke mannen, nemen Bob elk onder een arm en brengen hem in de auto. Derde tocht naar het ziekenhuis in drie dagen, anders dan om er te werken!
Het bed waar ik op gelegen had was leeg en ik laat de nachtzuster weten: ‘mijn man heeft koorts, maak dat bed voor hem op graag’. We laten hem op bed rollen en Vincent tilt hem nog eens op om hem wat hoger in de kussens te leggen. Bob is ver weg en begint nu te braken. Vincent plaatst gauw zijn gezicht opzij en ik zie t en denk waar heeft hij dat vandaan? Waarschijnlijk de natuurlijke training die een Ghanese volwassene heeft gekregen bij kinderen en oude mensen die ziek zijn, pas op dat het niet in zijn longen kan lopen. Eerste hulp zal hij wel niet geleerd hebben, hij is leraar. Baffo en Charity halen handoeken ergens vandaan en beginnen zijn gezicht af te vegen, en alles eromheen. Het infuus is nu opgezet en de injectie artesunate zit erin. En ja…hij kijkt naar ons vanonder de natte doek die op zijn voorhoofd ligt: ‘Hi’. We grijnzen naar elkaar. Echtwaar, het is zo goed om in leven te zijn.
De temperatuur komt omlaag, of door de natte doeken of door een kapotte termometer, en hij komt tot leven, die taaie Bob. ‘Wat is er gebeurd? Kunnen we naar huis?’ Het infuus loopt erin en de bloeddruk wordt normaal, hij geeft niet meer over. De zaal is desolaat, kapotte lampen en een krakende oude ventilator. S’nachts om twaalf uur gaan we weer naar huis, geholpen door Baffo en Vincent, rollen in bed, en slapen op de een of andere manier. Maandagochtend, hmm, wat beter. Wat was t eigenlijk? Het malaria uitstrijkje was negatief maar Bob krijgt natuurlijk een volledige malaria behandeling. We zijn allebei suf en ook blij dat we leven. Erg moe. Die Maandag gaat zoveel beter dat Nieske s’avonds een feestje geeft, voor haar verjaardag. Leuk feestje, Bob zelfs nog gezongen. Dan de nacht weer. ‘Ineke!’ Weer opnieuw koude rillingen, pijn, als een hoopje ellende ligt Bob weer op bed, weer in de war. Ik begin s’ochtends heel vroeg allerlei collega’s op te bellen, onder andere Harry Wegdam, de chirurg inTechiman. ‘Zet een infuus op en geef hem intraveneuze antibiotica, altijd aan een urineweginfectie denken, het is warm, hij wordt wat ouder. Kijk naar de urine, dat moet je doen. Ik heb dit vaker gezien…’ Met de hulp van Dr. Aboagye wordt hij weer opgenomen want ik begin in te storten onder de vele rollen die ik simultaan moet spelen, vrouw, verpleegster, arts en ook nog zelf patient. Daar ligt Bob, weer op een ziekenhuis bed, nu degene waar Geordie een week eerder op gelegen had. Dit is het enige bed met een werkzame WC in de buurt en dicht bij het verpleegstation , daarom wel ‘intensive care bed’ genoemd. Nou ja! ‘We doen samen stoelendans met al die ziekenhuis- opnames’, lachen de verpleegsters. Ik kan er niet om lachen, ik staar naar Bob’s gezicht terwijl hij omringd zit door caregivers en verpleegsters, net als ik eerst. Hij krijgt nu hetzelfde antibioticum dat mij twee dagen geleden een allergische reaktie gaf. Hij wordt zienderogen beter. Verwacht ik bij hem net zo’n allergie als die ik zelf door moest staan? Een beetje wel. We lijken ook zo op elkaar dat ons lijf best wel eens dezelfde reaktiepatronen kon vormen, Bob wordt toch ook gelijktijdig met mij ziek?! Natuurlijk is er geen reaktie op de ceftriaxone, alleen maar een gunstige, een helende. De urine wordt opgehaald voor het lab en Bob schikt ervan, zo rood als bloed zegt ie later tegen me. Ik had het zelf niet gezien maar later kwam het lab resultaat positief terug: puscellen in het sediment. Mijn beste buurman Dr. Harry Wegdam je had gelijk!
Die Dinsdag was een hel maar een zoete hel, als die combinatie mogelijk is. Hel voor de angst, zoet voor het zienderogen beter worden. Ik loop af en aan bij Bob’s bed op zaal, zie hem kleur krijgen, minder klam worden, de temperatuurcurve op zijn kaart naar normaal toe. Die nacht is de goede oude Joyce bij hem gebeleven, de hele nacht. En Kwame, en Baffo en Ema (die ziekenhuis dienst had) en al die lieve fijne mensen weer. Geordie! Nadat Harry laat die middag kwam om met eigen ogen te zien hoe het ging met Bob verexcuseerde ik me en ging om zeven uur onbeschaamd in mijn lege huis naar bed, met de honden, en werd om zeven uur de volgende ochtend weer wakker. Ervan overtuigd dat het nu beter ging met Bob, en dat was ook zo. Kijk naar zijn gezicht op die foto. Die ik Woensdagochtend in het ziekenhuis van hem heb gemaakt. Rondom zijn bed lieve mensen die elkaar verdringen om zijn hand vast te houden. Zijn kleur zoveel beter. Die avond kwam hij naar huis en sindsdien hebben we samen het leven gevierd. Zachtjes. Voorzichtig. Danbaar.

Harry en Mariette, jullie goede buren! Wat zeg ik tegen je? Dank je wel? Maar we voelen allebei zoveel meer dan een simpel ‘Dank je wel’ kan uitdrukken. Je levenshouding, je vakkundigheid, je totale inzet, je gevoel voor humor. Jullie, Wegdammen, zijn al tien jaar lang, langer, onze goede buren geweest. Door de jaren zijn we vrienden geworden, echte vrienden. Zomaar. Zonder door al die plichtplegingen te hoeven gaan, van kopjes koffie en verjaardagen, nee. Zulke goede vrienden dat dat voor ons niet hoefde, we gaven elkaar de ruimte en respect. Dat is echt heel bizonder! En nu...ik denk dat je Bob’s leven hebt gered, weet je dat? Ik denk het wel. Wat zeg je in zo’n geval? Dank je? Door jullie is de wereld wat lichter, weet je dat? Een beetje mooier. En vooral ook hoopvoller.


Ziek zijn

17 November

Gisteren had dit stukje nog lollig kunnen zijn, maar sinds vanmorgen heb ik een schokbeweging veroorzaakt die onze grote familie en ook mezelf wat van slag heeft gebracht. Bob al helemaal. Dus schrijf ik maar niet al te lichthartig, schrijf ik gewoon even van me af voor ik zo weer ga slapen.
Toch is het een grappig en hartverwarmend, vooral hartverwarmend verhaaltje, over dat ziekzijn van me. Gisterenochtend begon ik aan mijn eerste operatie, vrijdag is mijn operatiedag in het ziekenhuis, en terwijl ik de incisie al had gemaakt, een klein kindje met een liesbreuk, kon ik golven van misselijkheid niet meer onderdrukken en gaf over in en langs mijn papieren maskertje. Ja, inderdaad, niet fris maar wat moet je. Naast de operatietafel gemikt op een emmer die gauw werd toegeschoven. De OK-verpleegster haalde het plakkerige masker van mijn gezicht, waste me met de punt van een natte handoek, en ik ging weer verder. Mijn oude tropenarts-ervaring komt dan weer goed van pas, the show must go on. Snel de breukzak afgebonden en toen aan zuster Comfort overgelaten om alles weer netjes dicht te maken wat ze natuurlijk al tientallen jaren perfect doet. Ik weggelopen, weggevoerd, naar de zaal, val op een leeg bed neer en moet weer overgeven voor ik onderuit ga. Bed 1 van de kinderzaal, daar lig ik. Het bed naast dat van Geordie die daar een paar dagen eerder met dezelfde verschijnselen werd opgenomen. (Door mij). Het zaalhoofd, mijn oude vriendin Vero, geeft me en infuus, een malaria injectie en een intraveneus antibioticum, het ‘Ghanese trio’ als men niet weet wat er aan de hand is maar er gehandeld moet worden. En een klap op mijn billen, zo van het komt wel weer goed. Ik wordt wakker en voel me beter behalve dat ik van alle kanten jeuk alsof ik door een nest bijen ben bestookt. Het gordijn rond mijn ziekenhuisbed is aan drie kanten gesloten alsof ik al dood ben maar nee aan de vierde kant zie ik een doodbleke Bob op een krukje zitten. ‘Je ziet er goed uit hoor, ik blijf bij je’, herhaalt hij zachtjes, en naast hem zit Joyce, die mijn hand vastheeft en die de komende zes uur niet meer los zal laten, de hand waar het infuus inzit. Kwame staat ernaast, trouw en ernstig. En ik zie het gezicht van Baffo, bezorgd maar gelukkig met een klein lachje, want zoals ze zo verder allemaal naar me kijken voelt het niet goed! Nieske oh die lieve Nieske, ik heb haar gebeld blijkbaar maar kan me dat niet meer herinneren. Ze wrijft poeder op de galbulten die over mijn hele lijf en vooral op mijn benen en billen opkomen en dat helpt tegen de jeuk, een beetje. Geordie verschijnt. ‘Zijn de rollen nu omgedraaid?’ Met zijn prachtige jongenslach en hertenogen. Ik licht het gordijntje naar de andere kant van de zaal op, kijken of ik de pasgeopereerde baby en zijn moeder kan zien. Ik zie ze. De moeder staart me strak aan. Ik probeer te wuiven zo van de operatie is goed gegaan hoor. Moet daar om lachen, had daar veel meer pret om gehad als ik me niet zo rot voelde. En zij zich duidelijk niet zo rot voelde! Natuurlijk denkt die moeder wat is er met mijn baby gebeurd. Als de opererende arts nog voor de patient weer de ziekenzaal op komt rollen en op een bed ligt ziek te zijn! ‘Heb je de operatie wel afgemaakt?’ Vraagt Geordie? ‘Yep.’ Ik geloof dat zuster Vero zei dat ze de arme moeder met de vragende ogen gerust ging stellen (en weet op dit moment vrij zeker dat ze dat ook gedaan heeft, nu ik dit stukje schrijf.) Ook Vero moest om de situatie lachen maar zij heeft veel gevoel voor haar patienten, absoluut! Mischien wat hardhandig maar gevoel heeft ze.
Intussen heeft Vero ook gevoel voor mijn hectische jeuk en schiet hydrocortisone in mijn infuus. Helpt gelijk. Ik begin te ontspannen en zie, met wat mischien een moe maar heel intens gevoel van blijheid is, nu ik me aan de situatie overgeef, dat zoveel gezichten in die ene opening van het gordijn verschijnen. De een na de ander. Inclusief onze caregivers en een hele stoet vroedvrouwen en verpleegsters en uiteindelijk ook de arts, mijn collega Dr Aboagye, die gelijk het heft in handen neemt, mijn ‘ziektegeschiedenis en verdere behandeling’ opschrijft en me dan een plechtstatig speedy recovery toewenst voor hij met zijn nu dubbeldrukke dag verdergaat. Ik had immers dienst en die diensten verdelen we onder elkaar. Ik ziek hij dienst. Hij weg, ik dienst.
De hand van Joyce. Die hand hield niet gewoon mijn hand vast maar gaf er ook energie in, een heel tedere moederlijke energie. Geen wonder dat haar kinderen Inno en Emanuella het zo goed doen, wat een moederlijke moeder hebben ze wel niet getroffen! Ik laat me helemaal door Joyce en Nieske betuttelen en vertroetelen en val weer in slaap. Tegen drie uur wordt ik wakker. Voel me beter. Zie dat Joyce nog steeds zo bij me zit. ‘Heb je gegeten?’ Lachen. ‘Heb je wat gedronken dan?’ Lachen. ‘Heb je hier al die tijd gezeten met mijn hand in de jouwe?’ Lachen. ‘Ja, maame’. Ach lieverd...
Ik jeuk niet meer, geef niet meer over, heb geen koorts, wil naar huis. Oh en als Ineke iets moet dan krijgt ze het ook gelijk. Bijna gelijk in dit geval. Het infuus moet eerst leeg, dan mag je gaan, zegt Vero. Super kinderachtig, echt super kinderachtig! Ik ben buiten haar blikveld en zet het infuus wat weider open. Joyce moet erom lachen. Ik ook. Kinderen! Oh wat heerlijk ook om even kind te zijn. Samenzweerderige kinderen!
Mag ik nu naar huis? Okay, het infuus is leeg, ook snel gegaan zeg. Ja, ga! Morgen terugkomen, acht uur, voor volgende injectie. Baffo verschijnt, Nieske verschijnt, Kwame verschijnt. Zijn er drie auto’s om me thuis te brengen? Weer laat ik me gewoon verwennen en ik denk dat we in colonne naar huis reden waar ik werd ‘opgebaard’ op de bank om nog eens goed door alle verzorgers en kinderen gegroet en bekeken te worden. De koningin is weer thuis! Iedereen gerustgesteld en ik val weer in slaap. Middernacht. Wakker, voel aan mijn gzicht, het voelt als deeg. Ik kijk, herken mijn eigen gezicht niet. ‘Bob kijk eens naar mijn gezicht?’ Ja? Wat? ‘Helemaal opgezwollen!’ Nou valt best mee, ziet er goed uit. Ga slapen. ‘Zak’, denk ik ‘Moet er een huis rondom je instorten voor je iets opmerkt?!’ Ik probeer het met filmtaal, Bob’s favoriete taal. “Herinner je je die film over een jongen met een aangeboren afwijking, een afzichtelijk gezicht? Elephant-man?’ ‘Ah, yes! No not you, go sleep!’ Ik ga slapen. De volgende ochtend, vanmorgen. Voel me beter maar hoofdpijn en dat rare gezicht van me! Huid is in pannekoekenhuid veranderd en mijn ogen zitten dicht. Ik geloof niet dat ik zo kan werken zeg ik, natuurlijk niet zegt Bob wat dacht je nou. Ik bedoel ik geloof niet dat ik naar het ziekenhuis kan voor de tweede injecties. Joyce komt, grijpt mijn hand weer. ‘Nee’, zegt ze, ‘Niet werken. Ik roep Mr. Hippo’. Mr. Hippo komt, mijn oude collega medisch assistent. Hij en ik zijn 24 jaar aan dit ziekenhuis verbonden, en aan elkaar, for better and for worse.. Hij is er altijd! Nu komt hij mij de injectie geven en simultaan met de hoeveelheid ceftrioxone die erin gaat breekt de jeuk plotskalp weer uit. Hij is klaar, staat op en ik sta op, te dansen. Een soort St. Vitusdans. De jeuk gaat van mijn kruis naar mijn beha-band naar mijn hoofdhuid, breekt overal tegelijk uit. Hij ziet het. Aha, reaktie. Allergie. Dan mee, in zijn auto, naar het ziekenhuis, weer hydrocortisone injectie. Ik sta daar te krabben en te springen en zie overal weer de zwellingen verschijnen en dan komen de auto’s met al mijn trouwe geliefden weer aanrijden, ook op naar het ziekenhuis, Ineke achterna. Bob, nu echt helemaal grijsgrauw en gebogen, ondersteund door Kwame en Ema. Baffo met Nieske eracher aan, het meer ‘praktische duo!’ Ik sta in brand maar heb mijn hydrocortisone gehad en wil weer naar huis. Het jeukt speciaal in mijn kruis en ik moet daar krabben dus moet ik naar huis! (Duidelijk voor iedereen die bekend is met Afrikaanse ziekenhuizen.) Arme Hippo loopt me met een zak infuusvloeistaf achterna, rijdt me terug naar huis, Baffo, Nieske, Bob de heel stoet er weer achteraan. Ik zit weer op de bank, Hippo zet infuus weer op, Ema hangt het aan de rails van de gordijnen. Joyce houdt mijn hand vast en Nieske legt koude handdoeken op mijn gezwollen huid. Het wordt al gauw minder. Het infuus is op. Ema haalt het weg. Hij is nu immers ook een echte verpleger! Ja hij is er trots op, ik zie het. Hippo vraagt ‘wil je het infuus afhaken als het leeg is, kan je dat?’ En Ena zegt ‘ja’ en doet het. Vakkundig.
En nu is de tweede storm voorbij en voel ik me beter en zit op mijn bed te typen, terwijl het buiten een hete middag is. Charity zei: ‘Je hebt ons echt allemaal een schok bezorgd! Zoals je liep te jeuken en springen en dat gezwollen gezicht, nu nog. Dat mag je niet meer doen, Mama.” ‘Nee’ zeg ik,’ weet ik, doe ik niet meer. Sorry. Ik zal het voortaan voorkomen!’ ‘Kan ik ook want ik weet nu dat ik allergisch ben voor dat spul.’
‘Behalve’, zei Bob, ‘dat je ziek was voordat je die spuit kreeg. Die het dus erger maakte. Ga je bed in, niet werken, rusten nu’. ‘Hey Bob, ik dacht dat je zei dat er niks aan de hand was?’ “Ach Ineke dat heb ik zo geleerd thuis, net doen alsof, kan een oude vos zijn streken nog afleren?’ ‘Nee. Ik ook niet. Er is bij mij ook altijd een stukje paniek aanwezig die ik niet zomaar kan onderdrukken. Ik had ook heel discreet kunnen krabben, toch? ‘
Het hartverwarmende: Dat heel eerlijk en open bij elkaar zijn.
Maar ook de zorg van al die vele mensen! Ja ik weet dat je in Ghana nooit alleen ligt als je ziek bent maar hier was iets meer aan de hand. En heeft me veel goed gedaan. Ik ben niet alleen een baas, een nare soms, maar ze lieten me nu zien dat ze heel veel om me geven. Moet ik onthouden, volgende keer dat ik me eenzaam voel.
Het grappige ook: De moeder van die geopereerde baby stond vanmorgen bij me toen ik de hydrocortisone injectie kreeg. En ze knikte me toe. Dat betekent dat iemand haar het verhaal heeft verteld, van die dokter die ziek lag te zijn terwijl ze haar kind aan het opereren was. Dat het goed is gekomen. Dat ze niet meer in de zorg zit om haar kindje. Oh, Ghana. Oh mensen!

Joshua niet te vergeten

10 November 2007

Tegen het eind van October, net voor Bob en ik voor een korte vakantie naar Israel afreisden, werd Joshua op proef aangenomen op de dovenschool in Jamasi, dicht bij Kumasi. Joshua is echt helemaal doof maar de ‘op proef’ slaat op zijn verstandelijke vermogens. Toen hij voor intervieuw naar die school ging is zijn IQ daar gemeten en kwam op 50 uit. We weten natuurlijk allemaal, iedereen die Joshua heeft meegemaakt, dat hij niet ‘imbeciel’ is (zoals mensen met een IQ lager dan 80 vroeger werden genoemd). We denken dat hij normaal begaafd is. Maar ja, zodra eenmaal een diagnose of een nummer zwart op wit staat op een belangrijk papier dan is het moeilijk dat schadelijke effect weer ongedaan te maken. Desondanks, desondanks… om een lang verhaal kort te maken de direkteur van de school vond het goed dat Joshua een tijdje op proef kwam om te zien hoe hij zich aanpast en of hij kan meedoen met de groep. Dus we hebben hem daar pijlsnel heengebracht, bang dat de leraren zich weer zouden bedenken.
Toen hij die zekere zonnige ochtend in de bus stapte, in zijn nieuwe geel bruine schooluniform, pet op, rugtas op de rug en oprolbaar studenten matrasje onder de arm, straalde hij van opwinding en zag eruit als elke Ghanese schooljongen die voor het eerst van zijn leven naar kostschool mag. Hij leek totaal zonder angst. En dat voor een zevenjarige vondeling die in een weeshuis is opgegroeid vanwaar hij weer ‘verlaten werd’ om bij ons te komen wonen en nu weer ‘verlaten voor’ de dovenschool in Jamasi, een kostschool vanwaaruit hij drie maal per jaar tijdens de vakanties weer bij ons thuis mag komen. Toen hij bij de school aankwam, volgens het verhaal van Kwame die hem in de bus wegbracht, was hij een en al enthousiasme en nieuwsgierigheid naar zijn nieuwe omgevening en werd hij warm ontvangen door zijn ‘huismoeder’ zodat hij Kwame even vergat. Tot deze toeterde vanachter het stuur van de bus en zwaaiend wegreed. Weinig uitleg en een abrupt afscheid, dit is de gebruikelijke gang van zaken tussen ouders en kinderen in Ghana. Tranen zijn verboden en omhelzingen worden bewaard voor het komen, niet voor het gaan. Het Ghanese kind wordt van het begin af aan getraind om zich te beheersen en zijn emtoties onder controle te houden.



Toen Bob en ik dus weer terugkeerden in Ghana, zo’n twee of drie weken geleden, was een van de eerste vragen ‘en hoe is het met Joshua?’ Goed, zeiden de caregivers, we horen dat het goed gaat. We hebben hem niet meer gezien maar zo nu en dan belt Kwame de huismoeder of de leraar op om te vragen hoe het is met Joshua. Zo werd hij uit de verte gevolgd en Joshua gedroeg zich goed, zei Kwame. Onmiddelijk nadat Kwame hem daar (weer eens in een wildvreemde omgeving) had achter had gelaten had hij zijn duim diep in de mond gestoken en was doorgegaan te lachen, te voetballen, behulpzaam te zijn en zo nu en dan andere kinderen te knijpen. Het enige wat de leraren irriteerde was dat ze hem niet van het duimzuigen konden afkrijgen.
De G8 was hier en had triplex en bouwmaterialen nodig dus werd Kwame er met het busje op uit gestuurd om in Kumasi boodschappen te doen. Jamasi en de dovenschool liggen op weg naar Kumasi. Dus op weg terug had Kwame even gestopt om met eigen ogen te zien hoe het met Joshua was. Dat was een geweldig idée van Kwame want in onze drukte hadden we die Joshua toch eigenlijk bijna vergeten.
“O en ik heb Joshua even opgezocht!” “Joshua! Echt waar? Fantastisch, hoe is het met hem? Hoe ziet hij eruit? Hoe reageerde hij op je? Is hij blij? Hij is toch niet vermagerd? “Ja, goed. Toen ik kwam aanrijden had hij alleen oog voor het busje. Ik denk dat de bus hem bekend voorkwam maar toen ik uitstapte keek hij alleen maar, zonder me te herkennen. Totdat ik dichterbij kwam. Opeens lichtte zijn gezicht op, krulde zijn lach van het ene oor naar het andere en kwam hij naar me toerennen. Ja hij ziet er echt goed uit, en ze vinden hem daar aardig en zeggen dat hij goed mee kan. De huismoeder zegt dat we meer eten en kleren moeten brengen, dat wel.’
Het was zo opwindend om onverwacht een life-report te horen over hoe het met die kleine jongen gaat en hoe hij het toch maar weer allemaal voor elkaar heeft gekregen. Zijn angst telkens overwonnen door nieuwsgierigheid en levenslust. En dat voor een joch dat ‘subnormaal’ werd getest en die dus voorgoed de geloofwaardigheid van de westerse IQ test in een Afrikaanse setting heeft verbroken. Ja een IQ test in ons soort omstandigheden is net zoiets als een rontgenfoto maken in het volle daglicht. Probeer daar maar eens een diagnose op te stellen, dat kan alleen met 99% korrels zout.

Kwame heeft een half uurtje met Joshua doorgebracht en moest toen weer door, naar huis met de bouwmaterialen. Verder ging het leven hier gewoon door, altijd teveel te doen en veel onverwachte situaties om op te lossen dus Joshua schoof toch weer gauw naar de achtergrond. Tot Kwame deze week geld aan Bob vroeg voor de boodschappen voor Joshua. ‘Ik wil vrijdag naar Joshua, met alles wat hij nodig heeft voor hij met de kerstvakantie thuiskomt’. Oh hemeltje, Joshua, goed dat je eraan denkt. Schoenen, chocolademelk, melkpoeder, shito, teeshirts, alles in een tas en Kwame is weer klaar voor zijn bezoek aan Jamasi. Doe hem de groeten, vraag de direkteur wanneer we hem op kunnen halen, wanneer het ouderdag is, of we hem op kunnne bellen, ah nee hij is doof dat gaat niet. Vraag de leraren hoe we hier gebarentaal kunnen leren, of ze iets hebben, boeken en zo. Vraag hoe je ‘ Fijne kerst’ in gebarentaal zegt. Etc. Etc. Het was eergisten dat kwame alles gekocht had en gisteren zou hij gaan, maar verrassing verrassing, we kregen die dag bezoek van Nederlanders die uit Jamasi kwamen. Leraren in speciaal onderwijs die lesmateriaal aan het ontwerpen waren en in Jamasi ook gebouwtjes hadden gerenoveerd. ‘Heeft U daar ook een jongetje ontmoet die Joshua heet? Een joch van een jaar of zeven, draagt graag een pet en heeft mooie kalme ogen die je recht aankijken. Waarschijnlijk duim in de mond?’ ‘O ja! Kent U hem dan ook? Wat? Is hij van hier? Joshua? Ja die is helemaal populair op school, liep steeds met ons mee, hand in hand, altijd helpen met klusjes. Ja hoor we kenne Joshua! Ja we nemen graag die tas met spullen voor hem mee terug naar Jamasi en zullen hem de groeten doen, scheelt Kwame weer een reis.
Vakantie? Begint 10 December. Vergadering en dan worden alle kinderen opgehaald. De tiende van de volgende maand.’

NIET VERGETEN! 10 December. Joshua-komt-naar-huis-dag. Groot kruis op de kalender gezet!


De Witte Tornado

3 november, 2007

G8 weblink

Vanaf de dag dat we uit Israel naar Ghana terugkwamen was het alsof we in een wervelwind terechtkwamen. Een wervelwind van vernieuwing en verfraaiing, die uitliep op een witte tornado (een advertentie op TV voor een waspoeder dat witter dan wit wast) voor hij eergisteren stilviel. Ik heb het over de G8, een team van acht mensen die twee weken geleden in Nkoranza kwamen en sinds vanmorgen 6am weer veilig in Holland zijn teruggekeerd.
We zijn van begin tot eind verbaasd over alles wat ze gedaan hebben en speciaal ook hoe ze het gedaan hebben. Ze hebben de 32 kamers waar onze kinderen huizen opgeknapt. Ze hebben alles in een nieuwe laag verf gezet, hebben daken gerepareerd of vernieuwd, ze hebben voor elk kind planken kisten en kasten gemaakt (50!), ze hebben de speeltuin uitgebreid en ze hebben nog zoveel meer gedaan.
Hoe ze het gedaan hebben? Lichvoetig, met plezier en gevoel voor humor hebben ze op al onze gezichen een glimlach getoverd. Hebben ze ons een beetje betoverd!
Hun namen? In alfabetische volgorde: Ab, Abel, Anton, Bernard, Belinda, Jacky, Jacob en Mariette. Een ‘designer made’ variatie op de World Servants-groep.
Van Holland, ja, dat prachtige landje waar bijna alles net zo spik en span is als na een witte tornado. (Is dat nog zo eigenlijk?)
Ik had wat ingezeten over hun komst, gedacht dat het moeilijk zou zijn hun te helpen met spijkers, schroeven, triplex en de rest. Maar Baffo was er en hielp natuurlijk bij alles op een schitterend efficiente manier. De resultaten zijn echt verbazingwekkend. Iedereen heeft er een kick van gekregen en we zijn er dolgelukkig mee. Kijk zelf maar.

Bernard en Baffo, de twee leiders. Op inspectie met Peace
Plaatsen van een draaimolen De snoezelkamer verven
Jacky en Ab zijn ‘zaag-maatjes’ Nieuwe matrassen voor alle kinderen.
Na de witte tornado Trots om een G8 te zijn!
Het afscheidsdineetje En Charity zingt een lied voor de G8.

Het klinkt als een sprookje of alsof er een engel aan ons voorbij kwam. Dank je, G8!

Vakantie

18 oct. 2007

Het is ochtend, de laatste dag van onze vakantie, en over 18 uur, rond middernacht, klimmen we weer in een vliegtuig op weg terug naar Ghana. We zijn tien dagen in Israel geweest en ongelofelijk dat het er al weer bijna opzit. Laatste dagen zijn vaak onwezelijk, een soort ‘vacuumdagen’. Je kijkt terug terwijl je ook alweer een beetje met ‘daar thuis’ bezig bent, hurkend bij de open koffers, de souvenirs en de hopen kleren die weer mee terug moeten. Bob vroeg me net ‘Wat was jouw beste dag hier?’ en ik laat een aantal van de beste momenten aan mijn geestesoog voorbijgaan maar kan er zo gauw niet een ‘beste dag’ uit kristalliseren. ‘En jij?’ ‘Ik? Zonder twijfel de dag dat we de huidarts vonden en jij behandeld werd. Hoe heette hij ook weer, Kirgily? Krigeli?’
Dat was op de eerste volle dag na aankomst in Tel Aviv. In Ghana hebben we geen dermatologen die vloeibaar stikstof tot hun beschikking hebben en in Holland was ik er niet aan toegekomen. De keratotische plekken op mijn gezicht en hals begonnen te jeuken en zich uit te breiden, tijd dus voor een behandeling. Laten we dat in Israel doen, als eerste punt op onze aganda na aankomst, een arts vinden en die plekken laten weg schoeien, zei Bob. Zo gezegd zo gedaan, vergetende dat Israel een vreemd land is met een vreemde taal en zelf een vreemd schrift, oud Hebreeuws, dat door de pioniers die de Staat Israel hebben opgericht in een moderne gebruikstaal werd omgevormd. Ik had daar in Ghana al een voorproefje van gehad toen ik probeerde op het internet artsen of specialisten in Israel op te googelen. Pagina na pagina van wat adreslijsten en spreekuren van artsen in Tel Aviv hadden kunnen zijn, maar alles in onbegrijpelijk Hebreeuws schrift. Niets in Engels, zelfs niet in Frans. Er toen verder niet over nagedacht maar nu herhaalde die ervaring zich, niet in de virtuele wereld van het internet maar in de werkelijke wereld van Israel. Een telefoonboek? Jawel, maar in het Hebreeuws. De hotel desk dan. ‘Waar kan ik een dermatoloog vinden en een afspraak maken?” ‘Dokter? Ziek? Moet hij naar uw kamer komen? Kost 400 dollar’. ‘Nee, zo ziek nu ook weer niet. Een huidarts. Huid.’ ‘Ah, huidarts, dermatoloog, ja.’ Vriendelijke mensen aan de desk maar ze lijken nu wat verlegen hun ogen neer te slaan en naar elkaar te kijken inplaats van naar ons en ik herinner me dat traditioneel de huidartsen ook venerische ziektes behandelden. Ik begin gelijk te blozen maar ze zijn al bezig met de computer. Er is keus genoeg, wie willen we? Iemand dichtbij? We krijgen naam, adres en telefoonnummer van de dichtsbijzijnde dermatoloog in de stad op een velletje hotel papier aangeboden en gaan opgewekt op weg, op zoek naar dat adres. Bellen lukt niet want mijn speciaal daarvoor meegenomen nederlandse mobieltje werkt blijkbaar toch niet in Israel. Het is mooi weer en we genieten van onze ochtend wandeling. Dan komen we bij dat straat-nummer aan en is er in de verste verten niets dat lijkt op een artsenpraktijk daar. Het is een flatgebouw mer ritsen naambordjes bij de deurbellen, allemaal in hebreeuws schrift. Ik ga naar de winkel ernaast, een jonge modeontwerpster. Ze spreekt prachtig frans en ik brabbel wijzend naar het flatgebouw: ‘Ici? Docteur? Dermatologigue? S’il vou plait? Ze komt met klikkende hoge hakken met ons mee om alle naambordjes een voor een met ons te bestuderen. Nee, sorry, geen arts, althans staat niet aangegeven. Jammer voor U. ‘Merci, Toda, Thank you’. We treuzelen wat, teleurgesteld, en houden dan een taxi aan. “Naar het ziekenhuis graag.” “Waarom?” vraagt de taxichauffeur. Op zoek naar een huidarts. Eeen huidarts? In het ziekenhuis? Op de eerste hulp? Nee hoor! Wat wilt U dan precies? We leggen uit wat we willen en hij draait zich half naar ons om en luistert alsof hij een beedigd psychotherapeut is. ‘We hebben dit adres opgegeven gekregen maar er werkt daar helemaal geen arts en we hebben geen telefoon om even te bellen.’ Hij zegt wacht maar even en belt het nummer op het papiertje. Hij luistert net zo aandachtig naar zijn mobieltje als daarnet naar ons en draait zich dan weer naar ons om: ‘Die huidarts is van adres veranderd, dat is het.’ De taxichauffeur heette Ray. Hij was duidelijk blij dat hij ons kon helpen. ‘Zal ik een afspraak voor U maken op zijn nieuwe adres?’ Hij belt weer om nog eens naar de ingesproken boodschap te luisteren en schrijft een ander telefoonnummer op. Belt weer, met een knipoog naar ons, een hand aan het stuur de ander met zijn mobieltje aan zijn oor. Een welbespraakte vloed van zinnen met woorden zoals lagiet kachad bashat volgt afgewisselt met stiltes en ‘wat is uw naam?’ Uiteindelijk krijgen we zijn volle glimlach en een nieuw papietje. ‘Ik heb een afspraak. Half vier. Dit is het adres. Telefoon. Zijn naam is Kirgali’. Hij zet ons weer bij het hotel af. Opgelucht en dankbaar ga ik wat langs de zee lopen en boodschappen doen. Haal kaas en olijven, dat soort dingen. Een man komt naast me lopen en spreekt dringend op me in, in Hebreeuws. ‘Sorry’ zeg ik, ‘Ik begrijp U niet, spreek geen Hebreeuws’. Dan geeft hij me een scheve lach met ogen die heen en weer rollen over mijn lichaam en ik realiseer me opeens dat hij aan het flirten is! Dit is me niet gebeurd sinds ik vijftig was en mijn mond valt open van verbazing voordat ik bloos, knik, lach en snel doorloop. Ik wordt moe maar kan ons hotel niet meer vinden hoewel het, toen we vanmorgen weggingen, duidelijk aan het strand lag. Ik spreek een mevrouw aan die bij een stoplicht staat te wachten, laat haar het visitekaartje van ons hotel zien. O ja, zegt ze, Hayakaron, ik loop wel even mee, is vlakbij. Vlekkeloos engels. Ik geef hier les, kunst-therapy, aan de universiteit. En U? Ik ben een tropenarts, zeg ik, in Ghana. Zo, Ghana! We hebben hier veel Ghanezen, voetballers. Door hun krijgen we wat bekendheid in voetbal! Maar oorspronkelijk, waar komt U oorspronkelijk vandaan? Holland. Oh dat dacht ik al. Ik kom uit Rusland maar woon hier al meer dan veertig jaar. ‘Net zoals Golda Meir’ zeg ik, wiens boek ik net gelezen heb. Kende U haar? O ja ik bewonderde haar, wat een sterke vrouw! Geweldige vrouw! ‘Luister’, zegt ze, ‘ik moet je wat vertellen.’ We staan stil, ik kijk naar haar ogen, twee zacht-glanzende zwarte olijven, en ik luister. ‘De man die mijn moeder op latere leeftijd trouwde, mijn vader zeg maar, die heeft heel zijn leven in Amerika gewoond. Vrouw en drie dochters in Amerika, Chicago. Heel zijn leven had die man zo’n trek naar israel, hij wilde zo graag, hij voelde dat hij moest komen. Maar zijn vrouw en kinderen? Geen kwestie van! Toen op een dag nam hij het grote besluit. Als jullie niet meegaan dan ga ik alleen, ik moet! Hij liet ze achter in Amerika en op zijn zestigste kwam hij naar Israel. Zonder kip of kraai. Dat was de tijd van de groten zoals Golda Meir, Ben Gurion, Peres. Hij was gelukkig, van dat moment af, gelukkig maar tragisch. De kinderen hebben hem nooit vergeven, voelden zich in de steek gelaten. Zijn vrouw werd bitter. Ik vond het zo erg voor hem. Ik besloot naar Amerika te gaan om met zijn ex en zijn kinderen te praten. Ze wilden hem niet begrijpen, de vrouw wilde zelfs niet naar me luisteren. Gekrenkte mensen die zich aan hun ongeluk vasthielden als aan een stuk drijfhout. Ik bleef maar vragen, kun je dan niet begrijpen dat die drang groter was dan hijzelf? Dat hij volstrekt op zijn plaats is in israel? Wel altijd tragisch, vanwege jullie. Dat hij vaak om jullie huilde’.
Mijn bezoek had geen enkele zin gehad, dacht ik. Maar veel later besloot de jongste van zijn dochters naar Israel te komen om hem op te zoeken. Op een dag belde ze zo maar onaangekondigd bij zijn voordeur, onze voordeur, aan. Mijn pleegvader deed zelf open zag zijn eigen dochter daar staan voor het eerst in ik weet niet hoeveel jaar en viel dood neer. Hij stierf datzelfde moment, op de drempel van zijn deur. Eeen hartaanval zei de dokter. Van de schok, vreugde of mischien angst. ‘Of al die gelijktijdige tegengestelde gebvoelens. Wat een prachtig mooi verhaal, dank hiervoor. Maar waarom zegt U dat het een droevig verhaal is?’ ‘Omdat ik altijd nog twijfel of ik er juist aan heb gedaan naar Amerika te gaan om uit te leggen hoe goed hun vader pastte in Israel maar hoeveel hij snakte naar vergeving van zijn kinderen. Als ik niks gezegd had had hij mischien nog heel lang geleefd, toch...’ Ik was geraakt maar ook oprecht verbaasd over die twijfel die zo aan haar moest vreten dat ze dit zelfs aan een vreemde bij een stoplicht vertelde. ‘Maar om te sterven in hartstocht moet toch, is toch zeker superieur aan een leven van wachten? Ik zou echt denken van wel!’ ‘Denkt U’, zei ze, ‘ik zit hier alsmaar over te dubben’. Toen zei ze ‘Mijn naam is Hannah.’ ‘Ik ben Ineke’, zei ik. Ze kustte me vol op mijn lippen en verdween. Ik had haar willen naroepen, telefoonnummers uitwisselen. Maar mooie zeldzame momenten moeten zeldzame momenten blijven, je kunt ze niet vasthouden. Ze had gelijk. Ik keek hoe ze wegliep en liep terug naar ons hotel.
Toen we om half vier naar de dermatoloog gingen was het nog een puzzle om zijn praktijk te vinden. Hij werktte in een kantorenblok annex winkelcentrum zonder nummers en alweer waren alle bordjes strikt alleen in het Hebreuws geschreven. We vroegen en bleven vragen. Uiteindelijk ontmoeten we iemand die zijn praktijk kende, aanwees en ons er uiteindelijk ook heenleidde, totaan de matglazen deur. Tot het laatste moment zouden we het gemist hebben zonder hulp. Er waren zelfs geen letters als ‘DR’ of MD’ op het matglas. Maar we waren nog net op tijd en de naam van de arts was trouwens ‘Krichely’, David Krichely. Aardige man, professioneel, geen woord teveel. 12 plekken weggebrand.
Dus nou, wat was mijn beste dag in Israel? Voor Bob en ik was het dezelfde dag, de dag na aankomst. Maar terwijl Bob’s hoogtepunt het moment was dat David Krichely met zijn vloeibare stikstof mijn huid gezond brandde, was voor mij het hoogtepunt de ontmoeting met Hannah. Haar kus op mijn lippen. Er was zoveel meer, maar dat was het moment dat ik niet wilde vergeten! Tevreden ga ik door met pakken en straks de laatste boodschappen doen. Dan terug naar Ghana.

Nana Yaw is dood, lang leve Nana Yaw.

4 oct 2007

Op Zaterdagmorgen 28 september, in alle vroegte, is Nana Yaw gestorven. Nana Yaw wordt ook wel de chief, van de gemeenschap genoemd. Dat komt door zijn naam Nana, wat ‘koning’ of ‘wijze man’ betekent, en ook omdat hij 15 jaar geleden als eerste in de jonge gemeenschap werd binnegehaald.
James, zijn verzorger, riep me vroeg op die ochtend. Kom eens kijken, hij gedraagt zich vreemd. Ik ging kijken en zag dat Nana Yaw, in plaats van het bord pap te eten dat James in zijn hand had, bijna verontschuldigend naar me keek, nog een keer adem haalde en ... zomaar opeens stervende was. Heel timide en bijna liefelijk, met een kleine glimlach, overleed Nana Yaw.
De laatste paar dagen had hij weer helemaal niet gegeten maar had wel veel water willen drinken. Terwijl James, die nu zijn verzorger is, de avond ervoor vroeg of ik hem zijn epilepsie medicatie per injectie wilde geven en ik die klaarmaakte begon hij opeens met golven over te geven. Dus geen injectie maar naar het ziekenhuis, waar hij een infuus kreeg. Die nacht ging ik nog even naar hem kijken en aangezien hij er beter uitzag en niet meer braakte nam ik hem weer mee naar huis. Nana Yaw vindt elke verandering afschuwelijk en het onrustige ziekenhuis al helemaal. Dus thuis geslapen en de volgende dag, duidelijk beter, begint hij aan zijn pap en dan ...is hij er opeens niet meer. Zachtjes weggegaan.

Net zo zachtjes legde hij vijftien jaar geleden zijn hand in de mijne, toen ik hem van de mannenzaal van het psychiatrisch ziekenhuis afhaalde en naast me in de auto zette naar Nkoranza toe, zeven uur rijden van Accra vandaan. Hij vond het geen punt en keek niet om, keek ook niet naar mij of naar de weg, keek weg in onbereikbare vertes. Hij was toen rond de vijf jaar. Thuis aangekomen begon hij als een uitgehongerde te eten en is daar pas de laatste jaren mee opgehouden...eindelijk verzadigd! Ik heb hem zien opgroeien en zijn eerste glimlach meegemaakt. Ook hoe hij de eerste keer op iemands schoot klom, zomaar. met een veroveraars grijns. En dan weer snel wegdook, veilig zijn kamertje in. Veroveren dat was het, veroveren op zichzelf, zijn extreme angsten, en op de wereld om hem heen.

Op de mannenzaal had hij met zijn grauwe lendedoekje tussen heel veel op de zelfde manier geklede halfnaakte mannen in gezeten, op een van die waggele bankjes die daar voor de patienten waren neergezet. Ik had hem waarschijnlijk niet opgemerkt als de sociaal werker me niet rechtstreeks naar hem had toe geleidt. Met datzelfde lendedoekje is hij in de auto gestapt, niks anders, dacht ik. Of mischien ben ik dat andere vergeten, mischien kwam er toch ook wel een geijkte plastic zak met kleren mee de auto in. Nana Yaw sprak toen niet en heeft dat ook nimmer gedaan, op drie woorden na. Wel verstond hij alles, twi of engels. Als hij echt hartstochtelijk iets wilde dan kwam er wel eens een woordje uit, ‘nsu’ wat water betekent, als hij erge dorst had, ‘emo’, rijst, als hij zwaar de drang voelde te eten en heel zelden ‘pano’, brood, als hij dat soms ergens zag. Hij wilde niet goed articuleren, niet hard spreken. Dat frustreerde hem, dat kon je zien. Nana Yaw hield zich het liefst zo stil mogelijk.
Vanaf 1993 toen mijn huis hier in de gemeenschap was afgebouwd heeft hij bij mij, later bij ons, Bob en ik, gewoond. Altijd hetzelfde plekje, een klein kamertje met gordijnen en een deur die hij graag achter zich dicht deed. Tot zaterdag de 28ste dus. Daniel was zijn eerste verzorger, Charity zijn tweede en Sala zijn derde (en langste!). Vorig jaar werd Alidya zijn verzorgster en de laatste paar weken was het James. Ze aten met hem, wandelden met hem, probeerden hem te laten genieten van het zwembad als hij dat al wilde, en verder was het slapen en opstaan en wassen en eten en drinken. Hij is nog eens een tijdje naar de Shalom special school geweest. Zat daar dan ergens achteraan ellendig te wezen. Op den duur werd hij ook nog geplaagd door de andere school-kinderen.
Dat plagen gebeurde heel vroeg in zijn leventje ook, in het weeshuis waar hij naar toe werd gebracht toen hij op een avond, helemaal alleen, op een verlaten markt in Winneba gevonden werd. Hij was in dat weeshuis een vreemde vogel dus werd hij geplaagd. Hij leerde zich verweren door met zijn vinger heel stevig in iemand’s oog prikken. Dat was wel effectief maar kon niet meer in het weeshuis, vandaar dat hij uiteindelijk naar het psychiatrisch gesticht moest.
Later in zijn leven, bij ons, gebeurde hetzelfde op de bizondere school en dat ging ook niet langer. Hij werd geplaagd, bracht zijn vinger gevaarlijk dicht bij de ogen van de plaaggeesten en... zaaide op die manier paniek. Op een dag werd hij dus maar weer van school gehaald, waarschijnlijk had hij er nooit naartoe moeten gaan, maar dat is achteraf. Het moment van breken met de Shalom special school was het moment dat een zwerm kinderen met stokken achter hem aanzat en hij doodsbang zich probeerde te verbergen in ons huis. Hij scheurde toen de gordijnen in huis kapot en het net van de ramen.
Nana Yaw hield niet van drukte en isoleerde zich bij het minst geringste. Zijn kamer in huis was een veilige plek voor hem die nooit veranderde.
Toch had de zwaar epileptische en autistische Nana Yaw wel mensen nodig. Hij heeft nog eens een tijdje, in een veilig hoekje van de werkplaats, meegeholpen kralen gordijnen te maken. Ze hangen bij ons in huis. Maar het liefst was hij toch dichter bij huis. Op zijn manier, dat wil zeggen stilletjes en zijdelings kijkend, mocht je soms bij hem komen en hem aanraken. Ja en soms was hij zo open dat hij gewoon naar je toe kwam, je hand pakte en zelfs bij je op schoot kwam zitten. Alles aan Nana Yaw had een gebruiksaanwijzing. Vele hebben we zo geleidelijk aan wel gevonden, aan andere zijn we helaas niet meer toegkomen.

Baffo, Ema, James, Kwame, Osei, ze deden na zijn dood het mannenwerk. Binnen een uur stond er een prachtige witte kist op de stoep, een kist met ruitjes, waar notabene gordijntjes achter hingen, samen met een rits kerstboomkaarsjes! Natuurlijk hadden ze aan Papa Bob gevraagd ‘wat voor kist’ en natuurlijk (voor wie Bob kent) had hij geantwoord: ‘de mooiste is nog niet mooi genoeg’. Vandaar deze bizondere kist met kerstverlichting! Een teken hoeveel er van die jongen gehouden werd. Terwijl ik dit schrijf ligt Nana Yaw in zijn witte kist met raampjes zes voet onder de aarde. Hij ligt op wit satijn. Aan zijn beide zijden liggen bloemen, die nu wel verlept zullen zijn. Behalve de kunstbloemen van de caregivers dan. Ik hoop dat hij kan zien wat een mooi laatste huisje hij gekregen heeft maar ach hij zal wel nog mooiere dingen aan zijn hoofd hebben nu, mischien, wie zal het weten.
Een enorme geluidsinstallatie werd geplaatst en begon knetterde highlife muziek te spelen terwijl canvas doeken op tenten-palen werden vastgemaakt tegen de felle zon.
De vrouwen hadden Nana Yaw voor het laatst in zijn kleine kamertje neergelegd en gewassen en klaar gemaakt om opgebaard te worden. Zijn gezicht werd opgemaakt. Kleed hem als een Chief, vroeg ik. De titel van Nana heeft hij als eerstgeborenen kind van onze gemeenschap absoluut verdiend! Toch hebben de vrouwen hem niet als een Chief in het traditionele Kente gekleed maar in prachtig schitterend witte kleding en daar kwam hij inderdaad nog het beste in uit. Zijn kleine lachje was veranderd in een trotse Ashanti mond, neegebogen bij de mondhoeken. Andere vrouwen hadden al een bed buiten gezet en helemaal aangekleed met wit kant aan alle zijden, alleen de voorkant was vrij.



Daar lag hij, Nana, de Chief.

Mensen begonnen vrijwel onmiddelijk lang te komen, ik kon me nog nauwelijks verkleden laat staan nog ronde maken in het ziekenhuis. Dat deed een ander voor me, die ochtend. Mensen schuifelden langs, schudden handen, gingen zitten, werden zelf met een handdruk begroet en boden hun meeleven en hun condoleances aan. Hoe weten de mensen het allemaal zo snel? ( Ja ook dank zei de digitale telefoontjes!). Al onze kinderen en verzorgers waren stemmig in traditoneel rood of zwart gekleed. Zo hebben we daar gezeten, handen geschud, soms gedansd, van 9 uur s’ochtends tot 3 uur s’middags. De Chief van Nkoranza kwam ook zijn condoleances aanbieden wat heel roerend was. De Chief en Nana Yaw hebben wel altijd een bizondere aantrekkingskracht voor elkaar gehad. Als de Chief op bezoek kwam was vaak zijn eerste vraag ‘hoe is het met Nana Yaw’ en ook ‘waar is hij’ totdat Nana Yaw werd gebracht en dan vaak, inplaats van gauw weer weg te rennen, plompverloren op de schoot van de Chief ging zitten! Prachtig gezicht, volmaakt tegen elk protocol in en absoluut natuurlijk. Normaal deed Nana Yaw dat niet, en al helemaal niet bij mensen die hij niet heel goed kende. Op dit moment spannen een groepje sub-Chiefs een zaak tegen de Chief aan en totdat deze episode over is mag hij eigenlijk niet zijn paleis uit en de straat op, vanwege zijn persoonlijke veiligheid. Maar Nana kwam dus mooi wel om zijn kleine Nana de laatste eer te bewijzen.



Het was een ontroerend moment toen de Chief plechtig naar de opgebaarde NanaYaw liep en met zijn vingers het V-teken maakte, een traditioneel Ghanese manier om
belangrijke mensen respect te tonen, en in stilte zonder op of om te kijken de begrafenis verliet.






Om drie uur kwam pastoor Andy, die lieve man, om samen met pater Pieter de begrafenis ceremonie te verzorgen. Eenvoudig en alweer ontroerend. Gezang, wat heen er weer geloop om de juiste kring te vormen die intiem genoeg was en toch ruimte bood voor iedereen om mee te doen. Lezing over de arme sloeber Lazarus die in het paradijs aan de boezem van Abraham mocht rusten terwijl de rijke man bij wie Lazarus tijdens zijn leven voor de deur zat, de hemel niet in kon komen.



Er werd gezongen en gedansd rondom de kist die door de mannen werd vastgehouden, terwijl de vrouwen een kring om hem heen vormden en een kaars brandden. Al gauw was de viering over en begon het weeklagen weer, terwijl Nana Yaw in zijn mooie kist over een klein weggetje tussen de gastenhuizen door naar de begraafplaats werd gedragen, waar Araba op hem wachtte.



Daar werd de kist langzaam omlaag gelaten en met aarde betsrooid. Ik wil hier verder niet over schrijven omdat het me nog de keel snoert. Mensen spraken woorden van afscheid, ik ook, er werd gehuild. Slaap lekker Nana Yaw. Je mag nu naar het paradijs, net als die arme Lazarus. Bidt voor ons daar.

Alles was rond vijf uur smiddags over maar mensen bleven komen, vooral van het ziekenhuis en uit het dorp.



Bijna alle oud-verzorgers zijn komen opdagen om hun respect en liefde voor Nana Yaw te tonen.
Salamata, degene die meer dan zeven jaar voor Nana Yaw heeft gezorgd en nu een bakkersopleiding in Techiman volgt, had diezelfde ochtend al opgebeld, ik kom eraan, wacht met de begrafenis! Ze was ver in het Noorden bij haar zieke moeder op bezoek. Ze nam bussen, bush-taxis en mama-lorries de een na de ander en om zes uur s’avonds was ze er! Samen wet Alidya die toevallig ook bij haar moeder, ook in Bole in het noorden was. De twee kwamen aan en zetten het op een huilen en weeklagen als ik nog nooit gehoord heb. De andere verzorgers moesten ze wegbrengen en water geven om ze tot zichzelf te laten komen. Ze zijn twee dagen gebleven en Sala en ik hebben veel gepraat. Ook Linda kwam, en Ako, en Martin, en Florence en Benson en Stephen, alle oud-caregivers zijn gekomen, de een na de ander. Wat een familie!
Nu is het een paar dagen later en iedereen is wat tot rust gekomen, ook Bob en ik. Maar heel vaak zie ik een beeld voor me, het beeld van de kleine maar vorstelijke Nana Yaw die in zijn witte kist met raampjes diep onder de aarde ligt. Zijn lichaam is dood maar hij lijkt toch nog heel erg aanwezig. Ik fluister dan in zijn richting Nana Yaw is dood, leve Nana Yaw!

Joshua gaat naar school, gaat Joshua naar school?

27-9-07

Eerst was het, na het bezoek bij ons van de hoofdmeester van de school voor doven in Jamasi, heel duidelijk. Joshua is vrijwel zeker doof en mag na de gebruikelijke tests bij hem op school komen. Het is September, het nieuwe schooljaar is net begonnen dus dat komt mooi uit. Goed nieuws. Onze hele groep werd er enthousiast over en begon zich, ieder op zijn wijze, ermee te bemoeien. Hij kreeg nieuwe schoenen voor op school, een tas. ij kreeg nieuwe kleren, een schooltas.Hij kreeg nieuweEma is de verzorger van Joshua maar omdat Ema niet zo goed engels spreekt zou Kwame met Joshua naar de school gaan om hem te laten testen. Dat moest bijkbaar twee of drie keer gebeuren. De eerste test was over en Kwame en Joshua kwamen thuis, blij! Hij was getest, was 100% doof en zou op school mogen. Alleen nog even een andere test. Twee weken later gingen Kwame en Joshua dus weer en toen viel de uitslag heel erg tegen. Hij heeft op die dag namelijk een IQ van 50 aangemeten gekregen en dat is te laag. Joshua kan niet goed leren dus dan toch maar niet naar die school. Ik weet hoe moeilijk het is om een IQ te testen, zonder er verder de details van te weten, maar ik voelde me er erg ontevreden mee. Hoe wordt dat jong dan eigenlijk getest, en hoe weten ze dat allemaal zo zeker. Hij is intelligent, althans sociaal intelligent maar hij reageert ook adequaat als je hem bijvoorbeeld een taak geeft, zoals een toren bouwen van blokken of een rolstoel van een ander kind helpen duwen.



Natuurlijk, hij is een vondeling en heeft lang in een weeshuis gewoond waar men hem als verstandelijk gehandicapt beschouwde en dus is hij een beetje links blijven liggen. Dat kan toch ook verklaren waarom hij niet zo goed was in die test? Ondergestimuleerd.
Ja ik kan dat wel zeggen maar dan... ben ik dan een test-psycholoog? Nee. In limo dus. We weten niet wat nu te doen maar ik heb het idee om de hoofdmeester nog eens te vragen om hem op proef te nemen en hem een tijdje te observeren.
Intussen is er ook nog een contingency plan, een andere doven-school, in Beechem. Een beetje raar om, als hij bij de een is afgewezen, het dan weer bij de ander te proberen maar ja er hangt heel veel van af, voor onze Joshua. Gaat hij leren lezen en schrijven en spreken met gebarentaal? Dan gaat er een wereld voor hem open. Blijft hij hier steken tussen de andere kinderen en naar school gaan op Shalom, de school voor het verstandelijk gehandicapte kind? Dan blijft hij dus waarschijnlijk voor altijd onder zijn capaciteit leren en leven.
Terwijl ik dit schrijf wordt mijn resolve steviger om het inderdaad ook in Beechem te proberen, zelf te gaan. Wordt vervolgd...

 

Viering van het Joods Nieuwjaar

19-09-2007

Als je er zelf niet bij bent geweest kun je je nauwelijks een voorstelling maken van ontroerend het was, Bob die zijn Joods Nieuwjaar samen met ons, familie en vrienden, personeel en kinderen en natuurlijk honden en kippen vierde, hier in Nkoranza.
Het was donderdag 13 september. De viering begon zoals gewoonlijk aan het eind van de middag en om 7-8 uur s’avonds was het over. Voor ons is dat trouwens diep in de nacht. Afegezien van kinderen, personeel en vrijwilligers waren Pater Andy er, de pastoor van Nkoranza, en Geordie, onze PeaceCorps werker en ook Osei, net terug uit Europa.



Bob had al de lezingen uitgezocht, maar omdat het Joods nieuwjaar zich over tien dagen uitstrekt waren dat er nogal wat en voor hooguit dat ene uurtje dat het mocht duren moest er dus druk gesneden worden om de viering terug te brengen tot een enkele lezing, een paar gezangen en enkele gebeden. Het voelde bijna zondig om sommige prachtige texten eruit te laten, zoals het (hele!) verhaal van Jonah en lezingen van de profeet Hosea en Jesajah. Maar er was geen keus, dus voerde Bob, geholpen door Ineke en Osei deze moeilijke verslankings-operatie uit. Toen de pijn van het scherpe mes voorbij was wisten we dat we een compacte maar wonderbaalijk mooie liturgie voor ons hadden liggen.
Aan Kwame werd gevraagd om de verteller te zijn, en degene die de dienst zou uitleggen en aan elkaar zou breien. Dat deed hij natuurlijk prachtig, ondanks dat hij nauwelijks een uur had om zich voor te bereiden. De kleinere kindertjes mochten op een deken zitten, pal voor de tafel met de kandelaar met kaarsen.



Een voor een zou elk kind een kaars mogen aansteken bij elk nieuw gebed of gezang in het midden van de viering. James zat er ook bij om te zorgen dat dit onderdeel van het feest niet zou uitlopen op een bosbrand!
Toen begon het feest met, na Kwame’s inleiding, het zingen van de ‘Shema’ door Bob samen met Osei, Ayuba en Asare. Hieronder staat het programma aangegeven dat we volgden.

Jewish New Year Celebration at the PCC Hand in Hand Community, 2007
1. Introduction The narrator explains that we are now living in the year 5768. That the Jewish New Year celebration lasts ten days. It begins with Rosh Hashanah (means ‘head of the year’) and is followed by Yom Kippur (day of atonement). During Rosh Hashanah we remember the gracefulness of our God, as for example reflected in the readings from Isaiah and the story of the conception of Isaac and the blessing of Ishmael from Genesis. During the Yom Kippur, which follows, we atone for our sins and plead with God for forgiveness so that our name may be inscribed into the book of life for the next year.
2. Singing of Shema. (Bob, Osei, Ayuba, Asare.)



3. Blessing before the reading of the Torah (Bob)
4. Reading from Genesis 21:5-13 (Fr. Andy) followed by Torah blessing by Bob.
5. Reading from Isaiah 58:2-7 (Ema)
6. Lighting of candles (James brings one child to light a candle before each prayer) with each of the following prayers:



7. Bob sings Hatikvah
8. Adom Olam ( Fr. Andy)



9. Yigdal Ineke )



10. Meditation ( Charity- Dorcas)
11. Alenu ( Stephen)
12. Holiday Prayers ( Bob)



13. Avinu Malkenu ( Osei and Bob)



14. Rock of Ages: (Lisa)
15. Ayli Ayli (Kwame) This is the final prayer.



16. Singing Ayn-Kay-Lo-Hay-Nu (By the caregivers and Bob)



17. The end. Food, drinks, dancing. Party!

Zoals altijd waren het de kinderen die ieders hart stalen en het middelpunt waren van de hele viering. Gelukkig nieuwjaar Bob, een heel gelukkig nieuwjaar toegewensd aan al onze Joodse familie en vrienden verspreid over de gehele wereld. La Shana Tova! Mag U en mogen wij allen genieten van een goed nieuw jaar.

Autisme, een picknick en onze Italiaanse vrienden

9-9-07

Het leven hier in Nkoranza is geen momentje saai. Zo hebben we meer dan een week genoten van het gezelschap van Naomi, haar vriendin Danielle en Sue, haar moeder. Naomi had een heel origineel idée om fondsen voor ons te werven; ze schreef, regisseerde en verzorgde de productie van een toneelstuk –Troje-in haar universiteit in Cambridge in Engeland. De opbrengst bracht onze gemeenschap weer een heel eind verder. Haar moeder, intussen ook enthousiast geworden, hielp op andere manieren mee geld in te zamelen en ik denk dat ze na hun bezoek aan Nkoranza hier nog zeker zo hard mee doorgaan. Maar ik moet niet schrijven over mensen die geld voor ons inzamelen. Noem een naam, en hoe moet het dan met die twintig andere enthousiaste mensen?! Nee, laat ik schrijven over hoe we van hun bezoek hebben genoten. Hoeveel lol we hadden toen we samen naar een musical dvd zaten te kijken in onze binnentuin met de regen die pal achter onze ruggen opspetterde en de muziek die niet te horen was vanwege het lawaai van slagregens op het zinken dak. De muziek werd door ons erbij verzonnen-gezongen-, waarbij een glas wijn wel hielp. We vonden de manier waarop Sue en Naomi zich voorzichtig mengden met onze autistische kinderen erg mooi, een spelenderwijs observeren. Dit leidde tot een paar lessen die Sue aan onze verzorgers gaf, meer vraag en antwoord sessies dan les, maar we waren daarna wel allemaal veel informatie rijker. Boadu, Nana yaw, Ntiamoah, Ema, Afia, allemaal stonden ze even in het middelpunt en het leek of ze dat ook begrepen. Ik trof Nana Yaw zelfs in ons bed aan, maandagnacht! Dacht dat het Bob was die mijn deken van me wegtrok en begon het kribbig terug te trekken tot ik een klein zacht handje aan de slip van de deken aantrof. Het was donker, lights-off, dus was het moeilijk uit te vinden van wie dat handje was, maar zo’n zachte kleine handen als Nana Yaw heeft niemand! Nog ongebruikte handen. Rond vijf uur in de ochtend, bij het eerste licht, gleed Nana Yaw ons bed uit, terug naar zijn eigen kamer. Dit heeft hij nog nooit gedaan. “Week voor de autisten” moet hij gedacht hebben, hier moet ik van profiteren! James heeft zich als leider opgeworpen van de werkgroep autisme en zowel de academische als de praktische nieuwsgierigheid van onze werkers zijn gewekt.


Teacher Sue met de caregivers


Na ruim een week moesten ze maandagochtend echt weg om tenminste nog iets anders van het land Ghana te zien dan ons alleen! Dat was dezelfde ochtend dat twee tot zover onbekende mensen, Frank en Tim, al onze kinderen en werkers mee zouden nemen op een picknick naar de watervallen. Ze hadden gemaild en gebeld of dat mogelijk was. Nergens in de hele wereld zouden ouders hun kinderen zo maar meegeven aan twee onbekende mannen voor een uitje, maar hier in Ghana dus wel, en veilig ook! Ze waren trouwens twee ‘Movendi vrijwilligers’, van dezelfde organisatie waarover ik vorige week schreef. Ze hadden in Accra mensen geleerd driewielers te maken en hun project was afgelopen. Ze hadden over ons gehoord, zodoende. Dus kwam maandgamorgen, onze vrienden gingen weg en er stonden drie grote bussen te stomen en te puffen, terwijl ze volgeladen werden met meer dan vijftig kinderen, twintig verzorgers en al onze vrijwilligers. Gekookte rijst in een grote ton, drinkwater, tinnen borden en koppen, zwemkleding, dekens en zoals altijd de drums en muziekinstrumenten voor onderweg natuurlijk! Onder luid getoeter reden ook de volgeladen bussen uit onze poort en wie bleven er achter: Bob, Charity, Geordie en ik! Ik danste in de rondte op ons verlaten landje en bedacht het ene leuke idee na het andere om deze ‘vrije feestdag’ te vieren. Ging eerst even naar het dorp en zag daar een lange lijn plechtige limosines langsrijden, de een na de ander sloeg af bij het gezondheidscentrum van Nkoranza. Ik merkte Osei op in een van de auto’s. ‘Wat is er aan de hand? De president of zo?’ ‘Nee nee, kom mee, de Provinciale Minister komt voor een ceremonie bij het healthcenter. De Italianen gaan daar de zaak renoveren, ze gaan van het gezondheidscentrum een tweede ziekenhuis maken. Kom erbij zitten!” Uit een andere auto wuifden ook de Italianen, zij het ietwat aarzelend, naar me om bij de plechtigheid aanwezig te zijn. Omdat ik een dag ‘ bevrijding van de kinderen’ aan het vieren was had ik mijn oudste trainingspak aan. Ik snel naar ons ziekenhuis om de administratie te waarschuwen (kom erbij zitten, is beter dan wegblijven) en ging toen Bob en Geordie halen. Ga mee, als we ons gezicht niet laten zien gaat dit nog fouter lopen. Het gezondheidscentrum van de regering renoveren en er een ziekenhuis van maken, hoor ik U vragen, waar heb je het over? Is er dan geen ziekenhuis in Nkoranza? Hoeveel ziekenhuizen hebben jullie nodig? Ja, juist. Maar laat me het verhaal vertellen. Waarschijnlijk zo’n maand geleden, eind Juli, liet Marino opeens zijn gezicht weer zien. Marino is een Italiaan die met Christina, een Ghaneze vrouw uit ons dorp, is getrouwd. Elk jaar komen ze en maandje terug naar Ghana en altijd zijn ze bezig met containers en rolstoelen en computers en plannen om het dorp (stadje moet ik zeggen) Nkoranza verder te ontwikkelen. Marino kwam met een groep Italiaanse vrijwiliggers en een heleboel ‘ciao’s en dozen met spullen voor de kinderen ons project bezoeken. Hij spreekt geen engels maar een van de vrijwilligers vertaalde voor hem. Zo vertelde Marino onder veel gelach en omhelzingen en gezoen over zijn plannen voor deze zomer in Nkoranza. Ons Katholieke ziekenhuis had hem beledigd. Nu ging hij zelf een ziekenhuis bouwen pal achter zijn huis in Nkoranza. De vrijwilligers waren allemaal bouwers en ze hadden al raamhoogtte bereikt. ‘Wat?’ Ja, een ziekenhuis. Het klonk als dat kleine stukje geschiedenis waar, duidelijk niet blij met elkaars gezelschap, er een paus en ook een tegenpaus waren gekozen. ‘O?’ Ja, ze hadden ons ziekenhuis hulp beloofd met de bouw van een nieuwe kraamafdeling, maar het bisdom van Sunyani had het budget hiervoor toen plotseling blijkbaar zo opgeblazen dat de Italianen zich uitgemelkt voelden en zich woedend terugtrokken. Lelijk hoofdstuk in lokale ziekenhuis politiek, zo behandel je je donors beter niet. Maar dan maar zelf een eigen ziekenhuis bouwen? ‘Dat is nogal wat. Weten jullie dat wel zeker? Hoe kom je straks aan een arts?’ O geen enkel problem, Niets geen problem, gaat allemaal goed komen, een ziekenhuis voor de arme mensen. Arrivederci, kom gauw bij ons eten, we hebben goeie wijn, lambrusco, weet je nog van vorig jaar? ’ Natuurlijk ging Bob daar later eten, want Bob houdt van lekker eten en Marino en Bob kunnen het heel goed met elkaar vinden, ook al verstaan ze elkaar niet. Bob verstond ook niet zo gauw wat ze me allemaal vertelden, gelukkig. Ik ging niet mee, wilde dat half affe gebouw niet echt zien, dat ‘tegenziekenhuis’ achter hun huis. Ik was helemaal stom geslagen door deze impulsieve plannen die blijkbaar al half uitgevoerd waren. Wonderbaarlijke vermenigvuldiging van gebouwen en God zal het weten straks mischien ook dienstverlening als ze ooit zover zouden komen. Ik maakte me echt bezorgd over al dat donorgeld, al die Italiaanse lires die nou euro’s zijn, die dan aan onmogelijke projecten besteed worden, vanwege de onbehoorlijkheid van een bisdom. Ik wist dat ik niet bij dat Italiaanse etenje thuishoorde maar het was goed dat Bob ging want vriendschap is nou eenmaal vriendschap. Dan vier weken later, zondagmorgen. Ik wil net ronde gaan lopen in het ziekenhuis als Marino er weer aankomt, deze keer in het gezelschap van drie Italiaanse artsen. Van een humanitaire dokters vereniging waarvan de naam me ontschoten is. Een ervan is een professor in de gynecologie, uit Milaan. God zei dank spreekt een van de drie engels, zei het met een opengeslagen woordenboek op zijn knieen. Hij moet steeds woorden opzoeken terwijl hij met me praat en dat maakt het gesprek erg langdurig; ik maak duidelijk dat ik de patienten niet al te lang kan laten wachten. Ze begrijpen of horen niet wat ik zeg, te druk bezig hun eigen idealen in woorden te vertalen. Ik geef het op en ga er dan nog even voor zitten. Ken ik hun organisatie? Ze trainen artsen in ontwikklingslanden. De professor, die met zijn witte haardos ook echt op een professor lijkt, blijft weldoend knikken. Hij is de baas, blijkbaar. Mooi, zeg ik. Ze vertellen me dat ze de volgende dag naar de regionale baas van het ministerie van gezondheid in Sunyani gaan om over de opening van hun ziekenhuis te praten. . Weet ik soms een arts, een verpleegster, een laboratorium assistent voor ze? Hoe gaan we dit aanpakken? Ik ben hun zus, ‘sister’, en de enige die hun kan helpen dit aan te pakken. Vanwege Marino blijf ik beleefd. Weten ze dat een ziekenhuis in een algemeen plan moet passen? Dat als het klaar is dat het dan eerst geinspecteerd moet worden en dat er standaarden zijn voor ziekenhuizen in Ghana? Dat het bijna onmogelijk is om artsen blijvend te binden aan plattelands-streken zoals Nkoranza? Dat ze in ons ziekenhuis steeds weer opnieuw vertrekken en dat nieuwe artsen dan weer opnieuw moeten worden ingewerkt, gemiddeld elk half jaar? Laat staan in een klein prive ziekenhuisje? Dat Ghanese artsen liever in grote steden werken? Dat het salaris van zo’n arts niet niks is? Dat van een verpleger of andere staf ook niet? Dat Ghana een goed ontwikkelde infrastructuur heeft wat gezondheidsverzieningen betreft, dat dit niet Chaad of Mauretanie is? (Hoop dat ik Chaad en Mauretanie niet beledig want ik weet niet echt hoever de ontwikkelingen daar gaan) Dat als ze de kosten van voorzieningen en salarissen gaan uitrekenen dat het dan wel eens kan blijken dat de bouw van een ziekenhuis niets is vergeleken met het runnen ervan? Dat het prachtig is om artsen te helpen opleiden maar weten ze dat je in Ghana als vreemde arts een licence van de Ghana Medical Board moet hebben voor je hier kan werken, professor of niet? Ik moet ze ontmoedigd hebben want met hangende staart verdwenen ze op een teken van Marino. Ik vraag aan Bob. ‘Klonk ik bozig?’ Ja, zegt Bob. Jij weet toch dat je je gevoelens nooit kan verbergen. Jammer want ik had Marino echt niet voor schut willen zetten. Maandag en dinsdag gingen voorbij en omdat er altijd wel wat gebeurd schoof dit naar de achtergrond. Tot ik woensdagmorgen bij de wekelijkse artsenvergadering in het ziekenhuis kwam zitten. Had ik al gehoord dat er een groep Italianen hier zijn die van het gezondheidscentrum in het dorp een tweede ziekenhuis willen maken? Weet ik dat Nkoranza onderling verdeeld is en dat iedereen het hier over heeft? Dat de meerderheid in Nkoranza blij is ‘dat nu eindelijk eens de monopolie van de katholieken wordt doorbroken’ en dat er in de toekomst een weldadige competitie zal zijn tussen twee ziekenhuizen? Kom ik weer met mijn “Wat??”. Ik weet dat de Italianen een ziekenhuis achter hun huis bouwen, maar niets over het renoveren van het gezondheidscentrum. Dat worden er dan drie?? Na de vergadering ga ik naar het kantoortje van de direktrice van het ziekenhuis, een Nigeriaanse non. Wat is dit voor nieuws? Over het gezondheidscentrum dat een ziekenhuis zou gaan worden?” Ik vertel haar wat ik ervan weet, wat dus een ander verhaal is! Maar de zuster is zo vreselijk kwaad op het bisdom omreden van hoe de Italianen vorig jaar op behandeld zijn, zo vreselijk boos op de persoon die verantwoordelijk is voor het opblazen van de kostenberekening tot onmogelijke hoogtes, dat ze verder niets hoort. Ze is aan de telefoon. Ze wil dat ik hoor hoe ze dit aan de bischop zelf gaat vertellen, aan de vicaris generaal, aan die persoon zelf, die dit op haar geweten heeft. ‘Wacht, luister!’ Ik wacht. Ze heeft een luidspreker telefoon. Deftig. Nou, geen enkel telefoontje wordt opgenomen, dat van ‘de persoon zelf’ in Sunyani heeft zelfs een antwoordapparaat, novelty in Ghana! “I cannot come to the phone right now, etc.” Zuster, zeg ik. U heeft gelijk, natuurlijk worden je donors op deze manier je vijanden. Maar wacht nou even, cool down! En dan deze Maandag. De rij dure limousines die het gezondheidscentrum binnen draaien. De plechtigheid daar, de rijen plastic stoelen, een luidspreker, muziek, is het dan echt waar!? Ik heb Bob in een keurige lange broek gehesen en zelf een jasje aangetrokken want een minister is een minister en hier Ghana ziet iedereen er graag verzorgd uit. Als we aankomen in ons gedeukte blauwe autootje dat niet bij de limosines past worden we op Ghanese manier aangekondigd: “Here is Doctor Bosman from the health-insurance! And her husband Dr. Bob” Arme Geordie wordt niet opgemerkt. We worden gelijk aan de VIP tafel neergezet en de directrice van ons ziekenhuis zit een ogenblijk naast ons voor ze weer opveert en haar auto naar Sunyani pakt, nog steeds op heksenjacht naar de non die de begroting heeft opgezwollen. De Italianen kijken wat onzeker naar ons, we kijken wat onzeker terug. Ze lachen wat, we lachen wat terug. Ze weten intussen vast dat ik hun reaktie begrijp maar niet waardeer en dat we dit soort impulsieve projecten, duplicatie van ziekenhuizen, niet echt nodig hebben in Ghana. Ze denken vast dat ik ze onwetend vindt, vreemd, een beetje te veel ego. Is ook zo.Ik begrijp hun echt niet, van geen kanten eigenlijk. Ik hoor de DCE, de burgemeester van ons dorp, een speech geven die een leider in mijn ogen niet zou mogen geven. Hij zit te stoken. Hij vertelt in geuren en kleuren, luid schallend over de luidsprekers, het verhaal van hoe het katholieke bisdom hulp afsloeg en zo gulzig was dat het tien keer het bedrag wilde dat werd aangeboden. Katholieke gulzigheid ontmaskerd! Ik denk die man die ga ik een keer in zijn dure kantoor met airco en leren stolen opzoeken en vertellen wat ik van hem vindt. De minister doet het veel beter. Hij zegt: Nkoranza heeft altijd fijne verassingen voor ons in petto. Eerst hebben de katholieken van het ziekenhuis hier het eerste verzekeringssysteen gebracht en nu komen er Italianen (wat was nu de naam van die organisatie) om de kraamafdeling van het gezondheidscentrum te vernieuwen en onze artsen te trainen. Dan praat de professor met de witte haardos en dan een trotse Marino. Christine, Marino’s vrouw, vertaald recht van hun Italinaans in Twi. Het gaat lang duren en Bob is al naar huis vanwege de hitte. Maar ik werk mezelf naar de zijde van de Italiaan die het woordenboek (nog steeds) bij zich heeft. Mag ik wat zeggen? Oh natuurlijk!


Maar natuurlijk dokter Bozzzzzman!

Wat gaan jullie nou voor ons ziekenhuis doen, als alle boosheid voorbij is? Je weet toch dat uiteindelijk die zwangere vrouwen met hun complicaties bij ons in het ziekenhuis terecht komen voor een tangextractie of een keizersnede. Help ons dan ook. We hebben echt hulp nodig. Onze operatiekamer moet vernieuwd, we hebben de botste instrumenten van het land. Je gaat toch niet echt alleen tweedracht zaaien, je gaat toch het hele system hier wel een beetje helpen? Of gaan jullie alleen maar overal nieuwe ziekenhuizen neerzetten, verder? ‘Oh maar natuurlijk, dokter Bozzzman!’ En als je artsen wilt trainen dan zal dat toch in een echt ziekenhuis moeten, kom ons dan gewoon helpen, vergeet die miskleun in het verleden!’ ‘O natuurlijk, natuurlijk’, hij is opgelucht, ik zie het. ‘Dr Bozzzman, hoe is het met Bob?’ Hij begint te lachen, daar is het toch een Italiaan voor! Marino ziet ons lachen en ziet er gelijk ook helemaal opgelucht uit. Komt op zijn korte beentjes aanhollen en begint me te omhelzen. Bacchio, Bacchio! roept hij geloof ik. Kussen in het openbaar, ongehoord voor Ghana maar elke Ghanees lacht mee, ze ruiken verzoening en Ghana houdt mischien niet van zoenen in het openbaar maar wel van verzoening. Met rode wangen ga ik naar huis. Net op tijd om de grote bussen met nu slaperige kinderen thuis te zien komen. Veel kan er op een dag gebeuren in zo’n slaperig stoffig dorpje als Nkoranza! Toch?

Emmanuelle

3 Sept 2007

Emmanuelle wordt al gauw drie jaar oud. Ze is een mooi meisje aan het worden, met haar kalme en soms wat melancholische gezichtje. Ze praat al een beetj en lacht veel. Deze zondagochtend had ze het grote voorpagina nieuws in de krant kunnen zijn want die ochtend, gisteren, had ze opeens in de gaten hoe met een rietje te drinken. Onafhankelijk!



Joyce, haar verzorgster, en John, haar oudere broer, vertroetelen haar nog als een baby. En waarom ook niet. Ik zou haar absoluut ook verwennen denk ik. Het is moeilijk om een klein meisje, die al zoveel onverdiende pech in haar leven heft, te zien huilen omdat ze met enige discipline iets nieuws moet leren. Dus wat gebeurd er? Als de verzorgers of de vrijwilligers haar iets willen leren om haar meer onafhankelijk te maken dan wordt ze onder het oog van Joyce vandaan gestolen, als dat maar even kan. Niet alleen Joyce maar ook John en ik.
Movendi deed dat ook. De movendi groep, waar ik al tijden over wilde schrijven hoewel het er door onverwachtte gebeurtenissen maar niet van kwam, heeft heel veel goeds gedaan voor onze kinderen. Ze hebben een stoel voor Emmanuelle ontworpen, een zware stoel die onmogelijk om kan vallen. Emmanuelle zou hierop moeten zitten in een sort veiligheidsriem, om te leren hoe met haar lijfje te balanceren, naar links en rechts, voren en achter te zwaaien zonder de angst te vallen. Het is nu bijna een jaar later. Joyce had van het begin af aan een veselijke hekel aan die stoel voor haar baby! Als Emmanuelle in die stoel werd gezet zette ze het geheid op een huilen, schreeuwen en brullen uit angst ‘los te zijn’. Joyce kon dat niet aanzien en keek met wanhopige ogen naar de verzorgers en vrijwilligers tot het ‘over was’. Houdt op met mijn baby te pesten zei ze met haar ogen. Toen de laatste Movendi vrijwilligers, Marije, Annemiek en Piet naar Nederland terug gingen hadden ze zware twijfels over het verdure gebruik van die stoel. Ik ook trouwens. Foute inschatting!
Met een combinatie van takt naar Joyce toe en een ongekend doorzettingsvermogen ondanks het gebrul van Emanuelle oefenden de verzorgers elke ochtend, tijdens het fyseo-uur. Op een dag, ongemerkt voor de meesten van ons, stopte ze met huilen. Eeen andere dag wat later verscheen er een lachje rond haar mond. En weer een andere dag zagen we John met Emmanuelle spelen en haar een ballon in de mond leren vasthouden.



En toen gisteren! Eeen wonder. Philo zorgde ervoor dat Emmanuelle zo maar opeens met een rietje hara melk kon drinken!
Op de foto kun je zien dat de stoel ere en aanvoegsel bij heft gekregen: een tafelblad dat op ingenieuze wijze langs twee stangen glijdt en hoger en lager gezet kan worden, naar gelang Emmanuelle wil drinken, wil tekenen met een potlood in haar mond of wil spleen. Wie heeft dat gemaakt zou je denken? De locale groep ‘Movendi’s’ getraind door de vrijwilligers uit Nederland. Jerry en Hayford. Wie heeft Emmanuelle geleerd met haar monde en potlood vast te houden of uit een rietje te drinken? Verzorger Stephen en vrijwilliger Lena, tijdens hun dagelijkse speechclasses. Wie vindt dit allemaal geweldig, nu dat het huilen ingeruild is voor lachen? Joyce, John, Ineke en Bob en iedereen hier!
De Movendi vriwilligers hebben meer gedaan. Veel meer. In het begin toen er een groep van vier Movendis tegelijk kwam was er een beetje een vermoeiende botsautootjes tijd. Elkaars verwachtingen niet duidelijk, die van de verzorgers al helemaal niet. Totaal andere manier van lesgeven die men hier niet gewend is. Maar toch! Eeen moeilijke start maar een glorieus einde, en om dat dat eindresultaat dara gaat het om. Eind goed al goed. Kijk eens mee hoe ze nu s’ochtends hun oefeningen doen:


Aaron rust uit na een balansoefening op de bal


Wumpini staat vandaag bijna rechtop!



Kwame helpt PaaYaw balanceren op de schommelplank



En Ameyaw is al aan zijn vierde
tricycle toe, gemaakt voor mensen
met een handicap in het dorp.
Gesubsidieert door Movendi.

Bedankt Movendi-vrijwilligers, nogmaals. Het werkt echt! Dus echt heel erg bedankt.



Ouwe rotten en jonge rebellen

26 augustus

Ik had het vorige stukje nog niet geschreven of er wachtte me een verrassing waar ik weer over schrijven wil. Zondag na het avondeten was er zoals gewoonlijk een vergadering van de verzorgers. Of ik erbij kon zijn en ze advies kon geven. Wat voor advies? Elkaar respecteren, sommigen ‘praten te veel’. Ik kreeg er verder niet veel uit maar had wel het een en ander opgemerkt, de laatste weken. Vanavond had ik er absoluut geen zin in, bij een vergadering gaan zitten met een ‘woord van advies’. En het was de laatste avond van Marieke, een vrijwilligster van vijf jaar terug, die vrijdag kwam en maandagochtend weer verder zou reizen. Het hele weekend had ik geen kans gezien om lekker met haar bij te praten. Maar ja plicht roept en zo, dus ging ik toch naar de vergadering. Heel even dan.
Die werd op een voor mij nieuwe plaats gehouden, de disco hal. Dat is een grote ronde hut waar we zaterdags disco dansen met de kinderen en daar is hij goed voor. Niet voor vergaderingen. Ik kon in het donker de vierentwintig gezichten nauwelijks onderscheiden. De kring was veel te groot en dat ene veertig-watt peertje in het midden haalde zelfs het midden van de vloer niet met zijn vleugje licht. Verder zat men op allerlei manieren te hangen te leunen te gapen en de benen zo ver voor zich uit te strekken dat sommigen zo uit hun stoel konden glijden. Her en der werd getelefoneerd. Belgerinkel, nokiatune’s en hippe telefoonrinkels die je bij ons in het internetcafe kan kopen. Halfluid werden gesprekken gevoerd. Sommigen zaten zover van elkaar afgewend dat ze elkaars gezicht niet konden zien. Leek verdorie wel een groep hangjongeren. Het kwam onprettig over.
Uiteindelijk was het leeuwendeel aanwezig, waren de telefoontjes in de zak (niet af maar althans uit zicht) en werd het stil. Hallo, zei ik. Ik kom er vanavond even bij zitten want het is lang geleden. (Te lang, dacht ik. Inderdaad) Ik wil graag het een en ander zeggen. Daarna kunnen jullie vragen stellen als je wilt. En dan gewoon je eigen vergadering zoals gebruikelijk. Nu was het echt stil dus ik plonste er maar recht in hoewel ik niets had voorbereid en dus geen idee had wat te zeggen.
‘Gisteren was het weer zover. Party. We hebben Alidya uitgezwaaid. Er waren veel buitenlanders bij. Dat gebeurt steeds vaker. Goed, we krijgen naam, blijkbaar. Gisteren stelden de bezoekers vragen. Altijd, altijd, ben ik vol lof over jullie en dat zeg ik dan ook meteen, meen ik ook. Gisteren ook. Meen ik echt, zonder jullie werd dit helemaal, echt helemaal niks!
Maar dan. Dan zie ik jullie hier, vergeef me voor mijn woordkeus, dan zie ik jullie in het halfduister ietwat lamlendig in stoelen hangen, verveeld en bezig met andere dingen dan de vergadering en dan denk ik wat is dit nu? Leef ik soms in een droomwereld? Een wereld van make belief? Zijn jullie echt de ruggegraat van de gemeenschap? Of zeg ik dat omdat ik het hoop, in de toekomst?’
Intussen zit iedereen rechtop, met open mond bijna. Dit zijn ze niet gewend van me. Okay, nu zie je er al beter uit! Dank je. Ja hoor je bent echt de spil van de gemeenschap, om jullie draait het bij de zorg om de kinderen. Als jullie leuk zijn met elkaar dan heerst er gelijk een goede sfeer en dat komt dat de kinderen, iedereen, ook jullie zelf, ten goede. Je weet dat zelf. Als er iemand in de groep is die verveeld kijkt, die tegen de draad in is, die roddelt of anderen van de groep niet met respect behandeld dan heb je gelijk een gedrukte stemming en een nare sfeer.
Men knikt.
Ik zou zo graag hebben, zei ik, dat er respect is voor elkaar. Dat er respect is van de jongeren tegenover de ouderen. En van de ouderen naar de jongeren toe. Net zoals jullie dat in Ghana zo gewend zijn. Stel je voor. Je hebt een familie. De ouders zijn arm en hebben zelf geen school doorlopen, ze kunnen mischien niet eens lezen en schrijven. Stel je voor het zijn echt goede mensen en ze zeggen tegen elkaar: ‘Onze kindern zullen niet opgroeien zoals wij. Wat het ons ook kost, ze moeten naar school, een opleiding krijgen, een kans hebben in het leven’. Stel dat die ouders zich opofferen voor hun kinderen. In Ghana komt dat elke dag voor. Wat zou je als kind dan tegen zo’n vader en moeder zeggen? “Ik ben trots op je’ ‘Dank je wel’, dat gebeurt veel. Maar als het er opaan komt dan gebeurt dat niet genoeg. Dan hoor je toch vrij veel van die goed opgeleide kinderen zeggen: ‘Mijn ouders, zie je hoe ze praten?’ ‘Ze lezen niet eens de krant’. ‘Weten niets van politiek’. ‘Ze snappen me niet’. ‘Ik schaam me voor mijn ouders’ “Ik breng mijn vrienden niet naar mijn ouderlijk huis’. Mischien zeggen ze dat niet zo maar je hoort het ze denken.
Komt dat bekend voor? Ja? En zouden jullie dat doen? Ah nee natuurlijk niet! Maar toch. Ik merk toch wel dat er in onze grote familie twee groepen zijn ontstaan, de jonge lieden die de middelbare school hebben afgemaakt en vragen hier een jaartje of langer te mogen werken en de mensen die nooit een kans hebben gehad, maar die mischien wel kinderen op die manier hebben opgevoed, of zouden willen opvoeden.
Naar wie gaat je respect nu uit, naar de schoolverlaters of naar de oudere die soms niet naar school zijn geweest? Dat is een vraag. Dat is mijn vraag aan jullie.
Oh mama we respecteren die mensen die zich opofferen! Dat zijn onze ouders, die verdienen respect. We zijn toch Ghanezen, hoe kun je dan zoiets vragen! Dat gebrek aan respect dat komt uit Europa, niet van hier, we weten ons te gedragen.
O goed, fijn! Maar onthoudt dat dan ook vanavond in jullie vergadering en morgen als degene die de leiding heeft je iets vraagt. Dank je. Dat was mijn ‘advies’ en ik ben blij dat het blijkbaar niet voor jullie geldt.
Dan tijd voor vragen. Drie vingers schieten de lucht in.
‘Mag ik weten of Joe Ema ons blijft helpen? Of gaat hij straks weer weg? En hetzelfde met James, is die bij ons of niet, het is me niet duidelijk.’. Arrongante jonge stem.
‘Niet alleen is Ema weer permanent in onze dienst. Niet alleen komt hij ons helpen. Maar jij gaat hem helpen want hij is je baas. Dat weet je want we hebben hem twee keer aan de hele groep voorgesteld in die functie.’ Ja, volgende vraag. ‘Mijn vraag is deze: Is het niet de taak en de plicht van het managment om ons na drie maanden een contract aan te bieden, zoals ons bij het interveiuw verteld werd? Ik werk hier nu meer dan die maanden en niemand is nog naar me toe gekomen met zo’n brief.’ De jonge man die wacht op een verdere opleiding, leuk is voor zijn kinderen maar als een puber voor ‘zijn groep’ op de bres wil springen. Volgende vraag: ‘Ik begrijp dit niet. Al zoveel keren hebben we hier in de vergadering over Boadu gepraat. Zus en zo. Boadu lacht niet, Boadu eet niet. Nou, na al dat vergaderen is Boadu nog geen stap verder. Hoe komt dat?’ Zeurpiet. Intussen hangen dezelfde drie vingers alweer in de lucht. Ja? ‘Mijn vraag: Heeft degene die de leiding heeft U na de vorige vergadering het probleem van Rose voorgelegd? Dat wordt maar besproken en er gebeurd maar niks.’ Arrogant joch wil steek onder water naar de leiding capaciteiten van Kwaku of Joyce geven. Volgend: ’ Waarom is er niet in al onze huizen een reserve lichtje als het licht uitvalt? Waarom sommigen wel en sommigen niet. Is de een belangrijker dan de ander, zijn we dan niet allemaal gelijk?’ Volgende: ‘We blijven maar over Boadu praten. Boadu lacht niet, hij eet niet. Nou met al dat gepraat is het nog net zo. Waarom zouden we hier eigenlijk tijd aan besteden?’
Zo gaat het nog een beetje door en dan drogen de vragen op. Ik bedank ze en verdwijn. Ga naar huis en kan snachts niet slapen.
Maandag zit ik maar wat te kijken terwijl er ergens in het niveau van mijn buik nieuwe ideen geboren worden. Maandagochtend wordt maandagmiddag.
Dan om drie uur gaan Kwaku, Ema en ik gedrieen rond de tafel zitten. De nieuwe tafel die Baffo gecreerd heeft.


Een van Baffo’s tafels.

Mooi en voor alles geschikt maar vooral ook om samen te denken en te praten. ‘Hoe lang is dit al aan de gang, Kwaku? Het lijkt wel een revolte van de middelbare scholieren tegen mensen als jij, Joyce, Angela, Ema, onze locale leiders. Je kan altijd verwachten dat je kritiek krijgt als je leiding draagt That is the nature of the thing. Maar zo sterk als gisterenavond? Die vragen stellers is dat het groepje wat de sfeer verpest?’
Kwaku is blij dat het onderwerp wordt aangesneden en gooit alle eerdere beledigingen naar hem toe eruit. Ik kan het niet geloven. Ze maken lawaai als Kwaku iets zegt, ze giegelen en grappen door vergaderingen heen en maken het zelfs soms onmogelijk voor Kwaku en Joyce om ook maar iets te zeggen. Soms worden ze arrogant met tegenvragen bestookt, vragen in het engels die ze niet verstaan. Ze zijn in de verdediging gedrukt.
Waarom? Kwaku lacht. Ema glimlacht. Het Ghanese antwoord!
Ema is meer uitgesproken maar hij is net pas terug en niet bij alle vergaderingen geweest. ‘Ema, weet die man die die vraag stelde nou echt niet dat jij terug bent en nu de leiding hebt?’ ‘Oh, jawel, dat weet hij.’
Het begon een maand geleden, zo ongeveer. Op de avond dat de kleine zomerhut te klein werd, en de vergaderingen naar de disco hut werden verlegd. Het begon in de Disco!
Drie mensen die het vergaderen moeilijk maken en hun, Joyce, Kwaku en Angela het leven zuur maken. Anderen worden wat meegetrokken.
Voor we het wisten zaten Kwaku, Ema en ik te plannen om de grote groep te verdelen in drie groepen. Geen vergadering meer in die rare disco met die jongens die zich zo lekker rebels opstellen! Groep een, linkervleugel, links van de keuken, alle verzorgers van links. Zeven mensen, nou beter kan het niet. Wie woont er recht van Janet’s keuken? Acht verzorgers. Prima. En hoeveel verzorgers zijn er in de workshop? Ook acht. Gedaan, we hebben een nieuwe vargader- een nieuwe tafelindeling! Een groep van zeven, acht en acht mensen. Dan kan je weer samen praten! Nieuw plan, zomaar uit de mouw geschud.


Nieuwe vorm van vergaderen in drie groepjes.

Uit een slapeloze nacht (voor mij) en een nare maand (voor Kwaku) was een nieuwe vorm geboren die al die narigheid meer dan waard was!
Maandag voorbij.
Dinsdag heb ik een voor een met de ‘jonge haantjes’ gepraat. Ze bedoelden het ‘totaaaaaal’ niet zo! Kwam dat zo over? Ja, oppassen met wat je zegt. Niet doen, neerkijken op je leiders! Stoken, niet doen!
Woensdag: mammoethvergadering! Kwaku en Ema wilden dat we woensdag een voor een alle verzorgers ontmoetten en uitlegden wat voor nieuw idee we hadden met het opsplitsen in drie groepen. Angela en Joyce moesten erbij zijn, als locale leiders. Angela is immers leider van de werkplaats en het gebeurd vaak dat ze straal genegeerd wordt. Joyce heeft samen met Kwaku de leiding over de caregivers, nu onder Ema.


‘Gifty, Wat zou jij ervan vinden als we nu eens...’

We zaten daar, we lieten de een na de ander bij ons zitten en het enthousiasme was groot. En autentiek! Een onmiddelijk ’ja’! Groepjes van zeven of acht dan kunnen we weer gewoon praten! Vierentwintig mensen, nee dat waren slechte vergaderingen de laatste tijd. Fijn zo, kunnen we weer door!
De drie groepen zijn zo verdeeld dat Angela, Kwaku en Joyce elk de leider van een groep zijn. De ‘rebellen’ zitten verdeeld over de groepen. En dit alles zo spontaan, gewoon door te kijken wie er links en rechts van de keuken woonde enzovoorts.
Zo was uit een slechte avond een nieuw, goed en noodzakelijk idee werd geboren!
Donderdag en Vrijdag was ik ziek. Mischien van de opwinding. Mischien van het feit dat een hele fijne vrijwilligster weggaat, morgen, en een andere volgende week. Of mschien zomaar, vanwege een muggebeetje met wat malariaparasietjes erin.
Heerlijk zo een beetje ziek zijn, wat een rust!

Dank.

19 augustus

Het is zondagmiddag en ik ben vanmorgen even hier in de kapel van het ziekenhuis geweest om bij de dankdienst voor de overleden verpleger Kwaku Adyei te zijn. Zijn ouders waren er en de kapel zat helemaal vol met in het wit gekleedde mensen, onze ziekenhuiswerkers met hun aanhang. Aan het eind van de mis gaf Kwaku’s vader een klein dankwoord voor het leven van zijn zoon. Als een bloem, zei hij, een verrukkelijke bloem, op de centrale tafel gezet zodat men zoveel mogelijk van hem kon genieten. En dan wordt het vaasje per ongeluk omgestoten en sterft de bloem. Zomaar. Niet de schuld van God niet de schuld van mensen. Wie zijn wij om het leven en de bijbehorende dood te willen begrijpen? Prachtige man, begin zestig, gespierde blote bovenarmen met het traditionele witte kleed over zijn ene schouder. Innemend en ingetogen. Ik ken hem. Vagelijk. Toen ik als jonge tropenarts in Berekum ziekenhuis begon te werken was hij daar ook, als stageaire in de ziekenhuis apotheek. Zijn moeder, hoofd van de kraamafdeling, ken ik niet. Zij kwam in ‘79, een jaar na mijn vertrek daar, in Berekum ziekenhuis werken.
Als het dankwoord over is geeft Kwaku’s vader geld aan de kapelaan van de ziekenhuiskapel. ‘Alstublieft. Dit bedrag is voor stoelen in de kapel. Zodat Kwaku hier altijd een plaatsje heeft’.
Prachtig, ik krijg er tranen van in mijn ogen.
Alidya, onze caregiver die overmorgen weggaat, die had gisteren avond tranen in haar ogen en een brok in de keel. Gisteren was het haar afscheidsfeestje. (Drukbezocht, onder andere ook door heel veel leuke bezoekers uit Nederland, onze Italiaanse vrienden, en de nodige anderen, maar het ging om Alidya die na vier jaar werken hier weggaat.)
Gisteren was het zover en bij het begin van het feestje werd ze even door mij naar voren gehaald. Om haar te bedanken en iets van haar liefde voor de kinderen te vertellen en hoe ongelofelijk bescheiden ze is. Hoe jammer het is haar te moeten missen in de toekomst. Ze heeft zo geweldig voor Nana Yaw gezorgd vanaf het moment dat Salamata hier wegging en we eigenlijk allemaal dachten dat Nana Yaw nu helemaal niet meer zou willen eten. Ja Alidya gaat weg, haar moeder heeft haar nodig en dus moet ze gehoorzamen. Arme Alidya. Gisteren wou ze een dankwoordje zeggen maar opeens schoot er een brok in haar keel en lukte het niet meer. Zo’n onopvallend persoontje, maar een van die personen waar de gemeenschap en de kinderen op draaien. Bob is net begonnen haar en een paar anderen te leren lezen en schrijven. Met schoolboekjes en al, en veel plezier natuurlijk. Ook dat gaat ze missen zei ze. En de kinderen.. Haar keel was helemaal samen geknepen en de tranen stroomden uit haar ogen.


Alidya en Nana Yaw, die haar gaat missen


Alidja, dank je. En kom terug, hoor. Denk erom.Net als iedereen hier! Je bent altijd welkom, er is altijd een plekje voor je.

Over terugkomen gesproken! Het was in Juli dat James en Ema afgestudeerd waren van de cursus ‘hulp in de verpleging’ en weer terugkwamen, om vanuit hier te solliciteren naar een baan als verpleeghulp in ons ziekenhuis. Ze hadden allebei heimwee naar onze kinderen en naar het toch wel speciale sfeertje dat bij ons heerst. Thuiskomen, daar hadden ze het over. Vanuit de PCC/Hand in Hand gemeenschap, gezellig met elkaar, hebben ze sollicitatie brieven opgesteld voor het ziekenhuis, om daar te mogen werken. Met een aanbeveling van mij erbij natuurlijk. Na goede voorbereidingen (aan wie de brief te adresseren, personeelchef of administratie, dat soort dingen) kreeg ik al gauw een seintje van het hoofd verpleging dat er voor Ema, hopelijk, gauw een plekje zou vrijkomen. Dat was echt boffen, gezien het feit dat ziekenhuizen een personeels-stop hebben en er geen nieuwe krachten aangenomen mogen worden. Eeen verpleeghulp zou weggaan en Ema zou die plaats kunnen innemen. Sorry, James moet nog even wachten. Maar ook voor hem is er hoop. Oh wat een vreugde! Een baan!
Ema’s eerste werkdag kwam al snel en hij zag er netjes en wat nerveus uit, in zijn wit en khaki uniform. Natuurlijk gaat alles prima, nu, want Ema is gewoon een geboren verzorger.
In de dagen voor hij in het ziekenhuis begon, echter, vonden er heel wat gesprekken plaats. Ema, als je hier in het ziekenhuis gaat werken, waar ga je dan wonen? Ja, weet ik niet, moet een kamer vinden. En je vrouw? Oh nee, die werkt in Techiman, heeft nu haar eigen handel, die blijft in Techiman wonen. Oh okay. Echt op zijn Ghanees, heel onafhankelijk, man en vrouw. Als je geen plek hebt om te wonen wil je dan niet hierblijven? O ja, graag, graag! Ema helemaal dankbaar! En als je hier woont zou je dan de coordinatie weer niet op je kunnen nemen van de PCC? Ik bedoel, ik heb ook twee banen en jij zou dat ook best kunnen. Wat vindt je? En zo is Ema nu verpleeghulp, een van de betere, en weer opnieuw coordinator bij ons! Zo is hij stilletjes teruggekomen. Anders dan we eerst gepland en besproken hadden maar heel erg mooi zo, voor hem, voor zijn toekomstige gezin, voor ons.


Ema is back as coordinator!

Onmiddelijk na zijn ‘dank, ja graag’ greep hij in bij de werkplaats waar we maar bleven ploeteren om de verzorgers zowel interesse voor de kinderen te laten tonen als te helpen sieraden maken. Het eerste schoot er vaak bij in. Een radicale herindeling van verzorgers per tafel was het gevolg. En ja, het begon te werken! Toen de spelletjes en de individuele zorg voor kinderen. Een voor een, langzaam maar gestaag, gaan we er samen tegen aan, Ema en ik. De taakindeling voor vrijwillers. Ook hier is hij een enorme hulp omdat hij de aktiviteiten en de kinderen in de kleinste details kent en... natuurlijk geschapen is voor dit soort werk!


Physeo in the morning

De physeotherapy, geweldg! Ema was de leider van de groep die indertijd door Movendi was opgeleid en Ema was de beste. En opeens was hij verdwenen. Om ook weer opeens via de achterdeur weer terug te komen. Als Ema van 8 tot 2 werkt zit hij s’middags bij vergaderingen en activiteiten zoals de spraak-klas en het zwemuur. Als hij smiddags werkt is hij als eerste bij de physeo om 7 uur sochtends. En als hij nachtdienst draait, zoals nu, dan zie je hem s’ochtends en laat op de middag met andere verzorgers zitten praten. Ik weet dat hij dan niet alleen kinderen en hun zorg bespreekt maar ook de situatie en de problemen in het leven van de verzorger. Zoals Alidya, die wegmoet omdat haar moeder haar nodig heeft. Ema kent vast het hele verhaal van begin tot einde.
Hij is terug. Dank! Voor leven en ook dat stukje sterven dat erbij hoort, voor komen en weer moeten gaan, dank voor alles wat bij het leven hoort. Wie zijn wij om het te willen beteugelen of zelfs helemaal te begrijpen, zoals Kwaku’s vader vanmorgen zei.


De begrafenis van Kwaku

12 augustus

Op een vroege ochtend, drie weken geleden, werd het levenloze lichaam van Kwaku Adyei Djan langs de weg naar Techiman gevonden. Zijn verkreukelde motor lag naast hem in de greppel. Hij was een van onze veelbelovende jonge verplegers, net afgestudeerd. Iedereen was gek op Kwaku. Populair en professioneel. Te hard gereden zeiden zijn collega’s die hem goed kenden. Direkt nadat het ongeluk bekend werd stroomden de werkers van het ziekenhuis naar buiten en stonden in kleine groepjes bij elkaar te praten over hoe het gebeurd was. In steeds andere woorden werd het nog weer naverteld. Wie hem het eerst gezien had langs de weg. Hoe het gebeurd kon zijn. Hoe het lichaam naar het ziekenhuis was gebracht, Hij droeg geen helm, hij droeg wel een helm, maar een fietshelm. Hij reed te hard, natuurlijk, je kent Kwaku. Met ingehouden trots werd zijn prettige prsoonlijkheid besproken, zijn enige slechte eigenschap was dat overmoedig harde rijden met zijn motorfiets. Over zijn ouders die alles op alles hadden gezet om hun zoon een goede opleiding te geven, een goede start in het leven. Wie krijgt die kans? En nu dit. Drie weken lang droegen de verpleegsters een rood bandje om de pols, het Ghanese teken van rouw.


Homecall kwaku

Kwaku’s familie had besloten dat dit weekend de begrafenis zou plaatsvinden.Een begrafenis van enige omvang moet drie dagen en twee nachten duren en dit is meer dan een gewone begrafenis. De administratie van ons ziekenhuis had auto’s georganiseerd voor wie er maar naar de begrafenis wilde, drie uur rijden van ons vandaan. Dat was dus iedereen. Ja, nee, we hebben nog steeds patienten om voor te zorgen. Dus elke afdeling was geregeld, er bleef iemand achter om dienst te doen. Vrijdagavond rond tienen stonden de auto’s al te draaien en te toeteren en de begrafenisgangers zongen en dansten zichzelf al in de juiste stemming. Om twee uur s’nachts zouden ze in een langzame colonne naar Berekum rijden, al toeterend en met de lijkenauto voorop. Het voelde saamhorig aan, prettig, alsof de mensen een beetje beschonken waren in het vooruitzicht van de reeks gebeurtenissen die gingen komen. Een droeve dronkenheid. Sommigen hadden natuurlijk aan de fles gezeten maar de meesten waren gewoon droevig en saamhorig en heel plechtig, als zwart fluweel.
Wat een gebeurtenis. Voor het ochtendgloren zou zijn lichaam al van de auto afgeladen zijn en opgemaakt, in de open kist, op een groot statig bed zijn gelegd, buiten op de begrafenis plaats (wat een andere plek is dan het kerkhof.) Hier konden vrienden, familie, collega’s en vreemden met luid geween hun laatste eerbetoon brengen. Dan werd in de loop van de ochtend de kist gesloten en op de schouders van de familie naar de begraafplaats gedragen waar de kist in het vers gapende gat zou worden neergelaten en bedekt met aarde. De laatste luidkeelse schreeuwen en klachten zouden worden geuit: ‘Nee, Kwaku, nee.’ ‘Laat ons niet alleen achter, man!” ‘Kom terug Kwaku toe nou’ ‘Kwaku je moeder roept je, ze wil je de borst geven, kom.’ Kwaku, kom nu gelijk terug joch van me’. Dan even niets meer. Uitputting.
Daarna zou de eigenlijke begrafenis plaatsvinden, een Ghanese versie van een soort receptie, de gemoederen zouden nu wat bedaard zijn. Veel, heel veel mensen, ook in groepen en busladingen van veel verschillende ziekenhuizen in Ghana, zouden een voor een aangekondigd worden aan de familie en aan al die mensen die op de grote open begrafenis plek onder luifels zouden zitten. Iedereen zal in rode en zwarte doeken gekleed gaan. Nieuw aangekomen groepen mensen zouden dan de handen schudden van degenen die er al zaten, en bij de ouders en familie aangekomen zouden ze langzamer en plechtiger gaan lopen, langer handen vasthouden, een speciaal oogcontact hebben soms, of soms juist niet, een paar woorden mompelen, alles om op de juiste wijze sympatie te betuigen aan de diep bedroefde familie.
Dan zouden ook zij een stoel krijgen waarna de familie komt om de nieuwgekomenen op hun beurt de hand de schudden. Het verhaal ook steeds opnieuw gevraagd en verteld. ‘Waarom ben je hier?’ ‘Ik hoor dat uw zoon dood is, ik kom groeten. Uw leed delen.’
De belangrijkheid van een begrafenis kan gemeten worden aan het aantal handen dat op zo’n dag worden geschud. Drank wordt aangeboden en de ogen kunnen wat rood worden maar de sfeer zal plechtig blijven, mischien wat wankelig plechtig. (Tenzij er een verborgen ruzie opwakkert of iemand plots bezerk wordt wat niet vaak voorkomt). Tegen de avond zullen de mensen gelijdelijk aan verdwijnen om de volgende ochtend in wit weer in de kerk te verschijnen. De gebruikelijke kerkdienst is ook groots en kan uren duren, uren van dankzegging voor het leven van de overleden persoon. Dit brengt de begrafenis op een hoger vlak en dan..dan is het zo’n beetje over en gaan de mensen naar huis om eens goed bij te slapen. Sommigen zijn dan twee nachten op geweest.
Ik was er niet bij maar ben ervan overtuigd dat he teen grote begrafenis was. Eeen bitterzoete die lang in ieders herinnering zal blijven bestaan vanwege wie Kwaku was en vooral ook hoe jong hij was.
Ik was er niet bij, ik was hier, in Nkoranza, en zoals gebruikelijk had ik weekenddienst in het ziekenhuis.
Vrijdagavond moet ere en keizersnede gedaan worden en ik vind de anesthesist en de operatie assistant tussen de treurende groep die bij de autos staan te zingen. We werken zoals gebruikelijk lekker samen, snel, zachtjes en stil. Mooie dikke baby die gelijk een schreeuw geeft, dit tot opluchting van de moeder die nog op de operatietafel ligt. Ik vraag de anesthesist. Als jij vannacht naar Berekum rijdt wie heeft er dan dienst? ‘Oh Doc, elke afdeling is gedekt, maakt U zich maar geen zorgen’. Okay, condoleer de familie van me en rijdt langzaam, we hebben nu even geen andere begrafenissen nodig.’ Ik ga naar bed.
Volgende ochtend, gisteren, maak ik vroeg de ronde en het is rustig. Tot ik op de kraamafdeling kom. Twee vrouwen die een keizersnede nodig hebben, een is urgent. Ik bel de tweede anesthesist op. Geen gehoor. Hmm. Ga naar zijn huis, niemand thuis. Oh God, daar begint het gedoe. Ik voelde het al aankomen. Taxi georganiseerd, het hoogzwangere tweetal met (groot)-moeders en jengelende kinderen naar het dichtsbijzijnde ziekenhuis in Techiman vervoerd. De auto neemt dezelfde route waar ook Kwaku naast zijn motor is gevonden, drie weken geleden.
I naar de eerste hulp en zie daar een man, jong nog, die golven bloed braakt. Hij is al in shock. Kunnen we snel bloed krijgen, een infuus aanleggen, bloed afnemen? Oh ja, zegt degene die dienst heeft. Maar beweegt zich niet. Ik ga naar het lab, is niemand. Leeg, gesloten deur. Wie heeft hier dienst? Niemand, er is niemand, Ze zijn naar de begrafenis. Ik begin boos te worden, iets wat niet hoort in de cultuur van Ghana. Het team hier bestaat uit twee studenten en een verpleeghulp. Ze zitten me met grote ogen aan te kijken. Doe de radio eens uit, zeg ik. Wie heeft hier de leiding? De verpleeghulp is er verlegen mee. De twee studenten praten goed engels en zullen straks gediplomeerde verpleegkundigen zijn, een staat die zij nooit zal bereiken. De rest van haar leven zal ze het sloofje zijn. ‘Wie van jullie?’ ‘Ik Mama’. ‘O Okay, Mary, stuur dan iemand naar de huizen van all the lab-assistenten. Kijk wie er thuis is. Haal ze naar het ziekenhuis. Echt waar, zonder bloedtransfusie gaat deze man dood, dat kan toch niet. Het gaat om een leven’ ‘Ja Mama, ja.’
Ik zie de rest van de patienten en ga naar huis on te eten. Rond 5 uur kom ik terug. Ligt die man nog net zo op dat eerstehulp bed, niemand erbij, geen bloed, geen infuus, de papieren zijn weg. Helemaal niets gedaan. Ik wordt echt woedend, neem hem met me mee, papieren of niet, en rijdt hem naar de zaal waar tenminste een ‘echte’ verpleegster werkt. Ze is goed, begrijpt het, spreekt haar afgrijzen uit en zet een infuus op. Geen bloed, geen lab. Ik bel ze ziekenhuis-chauffeur dan maar, daar in Berekum. “Begrafenismensen, hoe laat komt de eerste groep naar huis? Heb lab nodig, urgent. ‘Doc, we zijn onderweg, we komen er aan.’
Ik ga s avonds laat nog eens kijken. De man heeft een miserabel zakje bloed gehad, ik had er minstens vier besteld. ‘Vier, probeer het nou jo, hij is nog steeds in shock.’ Dan zondag, vandaag. Ik ben bang naar het zieknhuis te gaan. Geen telefoontje betekent of hij maakt het redelijk, of iedereen heeft liggen slapen, of hij is dood.
Daar ligt ie, hij lacht naar me. Hij bloed niet meer. Bloed heeft hij verder niet gehad behalve dat eerste zakje maar hij is er nog! Het lab heeft wel zijn hemoglobine getest, is 3. Hoort 12 te zijn. Dat was na de transfusie, niet ervoor. God. Ik denk erover ook hem naat Techiman ziekenhuis te vervoeren, maar vindt het te riskant, de hobbelss en gaten in de weg. Hij kan zo weer opnieuw gaan bloeden van zijn maag.
Het laboratorium is open! Er werkt iemand, Steve. ‘Steve please, kan je snel 4 of 5 flessen regelen, de man is bijna leeg gebloed’ ‘O maar gisterenavond laat heb ik hem bloed gegeven’ zegt hij met professionele trots. ‘Weet ik, dank je. Maar hij heeft veel meer nodig, echt. En wie had er dienst moeten doen, zaterdag? We konden niemand vinden.’ ‘Oh maar er heeft altijd iemand dienst bij ons’, zegt hij met een frons naar mij. Hoe kan ik nou de efficientie van zijn laboratorium in twijfel trekken...
Ik stop er over. Dat wordt een strenge vergadering maandagmorgen, als iedereen (mischien) weer op zijn post is.
Ik had eigenlijk net zo goed ook zelf naar die begrafenis kunnen gaan. Wat heb je nou aan een arts zonder laboratorium, zonder goede leiding, zonder operatiekamer?

Er is hier iets belangrijkers aan de hand dan alleen maar de frustratie van een arts die haar werk niet kan doen. Deze begrafenis had de oorzaak kunnen zijn van drie andere doden door professioneel mismanagement. En als een begrafenis drie andere begrafenissen veroorzaakt, hoeveel onnodige begrafenissen maakt dat dan wel niet in een jaar?
‘Kwaku, mijn goeie verpleger, jij die er niet meer bent, wat vindt je? Heb je gezien wat er in Nkoranza gebeurde terwijl jouw vrienden bij jou wilden zijn om je dood te betreuren? Allemaal zijn ze gekomen, om je recht te doen. Vindt je dat dat kan, jou recht doen en daardoor patienten onrecht aandoen? Ze in gevaar brengen? Jij die er niet meer bent en nu hierboven staat, wat zou je te zeggen hebben?’

Weekend Dienst

6 augustus 2007

Zaterdag, ronde gelopen, alles rustig. Kom ik thuis en blijkt het echt DE topdag wat bezoek betreft. Terwijl je overal groepjes mensen met camera’s en rugzakken ziet rondlopen, soms met onze Steve (de caregiver die de bezoekers rondleidt) en soms zonder ‘gids’, glijdt ik stilletjes met een kop thee in een tuinstoel buiten achter de tafel en begin eindelijk eens de Liliane Fonds papieren in te vullen, een werk wat ik eeuwig uitstel omdat het zo ingewikkeld is en me minstens twee dagen kost. Wil ongezien blijven en toch buiten zitten. Lukt dus niet. Bent U Ineke? Ja. Mag ik me dan even voorstellen? Een paar groepen, de een na de ander, bij ons aan tafel voor het huis: Wilt U soms thee? Ja,gezellig. Twee Hollandse groepen en een Amerikaanse. Bob erbij, veel lachen. Dan begin ik Bob onder de tafel te schoppen: ‘hou op, ik wil ze kwijt, dit is genoeg’, moet dat betekenen. ‘Wat is er, waarom schop je me’, zegt Bob verbaasd? Bob en ik, extravert en introvert. Hoe zullen we het ook ooit van elkaar snappen. “Ik moet even bij mezelf komen” fluister ik in zijn oor. Oh, okay. ‘En nu, mensen, zal ik U eens wat anders laten zien. De rotsen, onze kerk. Kom.” Ze verdwenen maar toch, het ging maar door die dag. Er kwam een Duitse non langs, uit Sunyani. Van het Don Bosco tehuis daar. Vragen over een 13 jarig behoorlijk boosaardig joch, zo te horen, een jongen die bij hun geplaatst is. Ik denk die wil ze bij ons dumpen en zei dat ook zo. Ze kijkt me aan en zegt nee, maar jij, jij hebt al vele jaren ervaring met dit soort kinderen. wat moeten we ermee. Ik wil dat je ons raad geeft. Hij is gevaarlijk aan het worden. Nog twee jaar en hij is 15! Groot! Zo onbetrouwbaar zo gevaarlijk voor anderen en dan ook nog grote vent?! Ik heb twee banen, heb hier geen tijd voor, geen mogelijkheid al mijn tijd te besteden om te voorkomen dat hij anderen letsel aandoet. Er is nog ene oude non en verder runt het tehuis op vrijwilligers! Ik staar haar stomverbaasd aan: Don Bosco runt helemaal en alleen maar op vrijwilligers??? Mensen die drie maanden blijven? (We hebben nog eens gedacht Don Bosco te vragen voor ons project op lange termijn te zorgen. Nou. Mooi niet!).
Ze wilde raad. Ik weet geen raad, weet me ook geen raad met die vragende ogen. Praat over sociopaten. Over onze Kofi Annan, de jongen van zeven of acht uit Osu, die we terug moesten sturen omdat hij steeds berekende wanneer iemand niet keek en dat was dan het moment dat hij Amma onder water kon duwen of iets anders echt engs uitvoerde. Vijf jaar geleden. Ik vertelde haar dat we hem terug hebben moeten sturen naar Osu Children Home. Dat ik tot nu toe niet heb durven vragen wat is van Kofi Annan is gekomen, uit angst te horen dat hij opgesloten zit in het gesticht in Accra, de afdeling criminelen. Ik ken die plek!! heb het gezien.
Okay, de Duitse zuster laat me leeggezogen achter wat haar schuld niet is. Kinderen die nergens een plek hebben en als ze het hebben zo boos zijn dat ze die plek weer verliezen, dat laat je machteloos en met mond vol tanden. Geen idee hoe dat nou op te lossen en zeker niet in Ghana! Er is niks voor, is sowieso veel te weinig in sociale sector. Ik ben een wrak. ze vertrekt. Komt de Italiaan die we een jaar geleden voor het laatst gezien hebben op bezoek.Met stel luidruchtige enthousiaste Italianen staan ze voor ons huis. “Hallooo!” Lieve man. We kennen hem. Met Ghanese vrouw uit nkoranza getrouwd. “Halloooo, Ciau!” Hij spreekt alleen Italiaans. Allemaal om de tafel, weer bier en cola en zijn verhaal. Hij heeft 200 000 euro bij elkaar geharkt en is erg trots en gaat er een kliniek van bouwen. Is al begonnen. De mensen rondom hem zijn italiaanse vrijwilligers, bouwers. Zijn al een week aan het bouwen. Wat?? Kliniek?? Ja. Kliniek. Kliniek voor arme mensen, die kunen hier gratis behandeld worden. Mijn kliniek wordt geheel en al gratis. Over drie weken is de kliniek afgebouwd, wordt hij geopend. Komt er een belangrijke man uit Carpi, professor Modena. (Of was het een Italiaanse professor die Carpi heet? Geeft niet.) Vraag aan mij: weet ik een dokter die hier voor de armen wil werken? Bob blijft de man kussen en in zijn been knijpen want ze vinden elkaar leuk (omdat ze allebei reuze goeie grote harten hebben!) en Bob hoort niets van wat er besproken wordt. praat intussen lustig door over macoroni en pasta. Ik zeg nou dan zou ik met een verpleger beginnen dan, een arts is duur hoor! Oja? Ja! 1000 euro per maand, heeft u dat ook meegerekend? Nee toch zegt hij, hoe kan dat nou, wat een kapitalisten die artsen in Ghana zeg! Die hebben dus geen hart voor de mensen. Ik drink mijn water en kijk aandachtig in mijn glas. Heeft U de regering al gevraagd? Die moeten wel eerst zo'n kliniek goedkeuren, inspecteren, etc. Oh nee echtwaar? Wat erg, zo'n burocratie!
Ik begon er de slappe lach van te krijgen, en ze gingen ook maar niet weg. Moest mijn 'kapatilistische ronde' in het ziekenhuis lopen, want het was zaterdag en ik had dienst. Maar nee, praten en lachen en heel veel bier. Trouwens, onze vriend praat alleen italiaans, dus een van zijn vrijwjilligers moest dit relaas naar mij vertalen. Zijn vrouw was er niet bij. Ik denk dat net zoals ik de praatgrage Bob soms wil afschudden (alleen maar heel soms ) dat Christina, zijn vrouw, Marino soms kwijt wil! Maar dat denk ik alleen maar. Omdat Christina net zo'n rustige is als ik. Nou ja.
Nou rond vijf uur verliet deze invasie ons net zo plotseling als ze gekomen waren We zitten uitgeput aan tafel als ze vertrokken zijn. Ik maak ronde en lo and behold alles is rustig. Kom terug, leg heerlijk mijn benen op Bob’s schoot. Wouw! Nu even rust!
Komt Samuel, een Ghanees die in Oostenrijk woont, met zijn hele familie aanzetten. “Hallooo!! Surpirse!!! Who is here!!! Samuel!!! Your Samuel! Oteng!!!” (Geintervieuwed in mijn boek, kan hem niet negeren). Zaten met hem tot 8 pm en... toen viel de echte stilte. Hield het op. Mijn dienst was gelukkig rustig . Dit was mijn dienst dit weekend, met mensen praten. En niet zomaar! Toeristen! Mensen met een missie, Idealisten, sceptische mensen wat Ghana betreft, bevlogen mensen wat Ghana betreft. Verwende witte kindertjes. Zondag was er een bezoekser, een vrouw met kind. Kind 8 of 9, was haar verjaardag. Bob barst in een lied uit, ik geef haar een kus. Ze wil geen van beiden. Kijkt haar moeder aan met een verbeten gezichtje: Mam, die gekke mensen! Wil ik niet hoor, zie je haar zeggen. Moeder zegt dat is toch leuk jo, en al die Ghanese kinderen hier, dat is echt een speciale verjaardag. Ik zeg wil je een cola? Nee. Water? Nee Iets anders? Nee. Wil je de speeltuin gebruiken, in het water duiken? Nee. Wil je komen zitten? Mam, ik zou toch een verjaardags cake krijgen, mam? Met kaarsjes Mam? Dat had je toch gezegd mam? Mam, gaan we nu naar de aapjes mam?
Zondag gaat het net zo door. Leve Charity en Mercy, die samen met John, Ayuba en Bright al die mensen een schoon bed en lekker eten en ook nog een glimlach aanbieden..
Maandag. 7am. Ik heb de hele nacht geslapen, niemand heeft me geroepen, geen ongeluk, geen moeilijke bevalling, niks. Ik adem in en uit, diep. Maandagmorgen is als de vrijdagavond voor een ander. Ik ben vrij! Komt er een delegatie van de Chief. Ik moet komen, hij is ziek. In het ziekenhuis heerst allang het gebruik mensen niet thuis te behandelen, zeker geen chiefs, maar ik ga even. Hij ziet er vreselijk uit. Ik zeg: opnemen! U moet opgenomen worden. Hij zegt: ik wil naar jullie land, naar PCC. (Alle elf gasten-huizen zitten vol, puilen uit met bezoekers) Ik zeg er is geen plek nu maar wat belangrijker is U moet opgenomen worden, we moeten bloedruk en suiken monitoren, eerst weten wat er aan de hand is en daana mischien op PCC uitrusten. Dus die avond, als het donker is, komt hij naar het ziekenhuis. Niemand mag hem zien. Gerucht verspreidt dan onmiddelijk: Chief is opgenomen. En al gauw: Chief doodziek. Chief dood! Hij wil dus niet dat iemand hem ziet en er over hem gepraat wordt als ‘ziek en zwak’. Dan hoor ik van Baffo dat hij al een paar keer relletjes heeft gehad rond zijn paleis. Dat de mensen hem af willen zetten. Dat er politie bewaking bij zijn huis moest komen. Dan denk ik hoe moet dat dan vanavond in het ziekenhuis? Politie? En morgen als hij bij ons komt? Vergif is gauw gegeven... zegt hij. Maar hoe dan ook hij is de moeite waard (nee, iedereen is de moeite waard, maar nu is het zijn beurt!) om voor te vechten, en te beschermen. De Chief is mijn uithuil-schouder en mijn steun en ik hoor bij zijn familie. Nu moeten Bob en ik en onze hele clan hem gewoon ondersteunen. Dat vindt Baffo trouwens ook en Charity ook.
Ik raas maar door. Was het maar van dag tot dag, het is van moment tot moment dat ik me voel als een schip dat gezellig wil zeilen op blauwe rustige wateren en steeds maar in plaats daarvan tussen windstoten, draaikolken haaien en zelfs door artellerievuur heen moet laveren. Toch heb ik sinds vandaag mijn Liliane fonds returns afgekregen en gelijk per EMS verstuurd! En ook ben ik vreselijk blij met dit leven! Zeker achteraf...Captain Ineke.



Archief Ineke's colum december 2006 tot 26 juli 2007

Archief Ineke's colum 19 mei 2006 tot 20 december 2006

Archief Ineke's colum 18 juni 2005 tot 10 mei 2006